Jaargang 3, nummer 4 - november 2006 Terug naar home
Print versie
Focus op vrouwen bij Internationale Aids Conferentie - veel woorden, (nog) weinig daden




Esther Susuyu Ali - Senior onderzoeker, ‘Youth Incentives’, Internationaal Programma Rutgers NISSO Groep
Jennifer Bushee - Beleidsmedewerker, project ‘Vrouwen, Meisjes en HIV & AIDS’, STOP AIDS NOW!

Voor degenen, die alle mogelijke moeite doen om de belangen van vrouwen hoger op de internationale agenda te krijgen, was het opwindend te horen hoe politieke leiders en vooraanstaande persoonlijkheden tijdens de 16de Internationale Aids Conferentie in Toronto hun verontwaardiging uitten over de toegenomen kwetsbaarheid van meisjes en vrouwen voor hiv/aids. Genderongelijkheid, de moeite die vrouwen en meisjes hebben om voor zichzelf op te komen en het gebrek aan erkenning van de rechten van vrouwen werden als hoofdoorzaken aangemerkt. Stephen Lewis vatte het krachtig samen: ‘Genderongelijkheid houdt de pandemie gaande en we zullen het gruwelijke geweld van aids nooit kunnen beteugelen zolang de rechten van vrouwen in deze strijd niet centraal staan.’

Als we alleen op de toespraken van Mary Robinson, Bill Clinton, Stephen Lewis en Bill en Melinda Gates af waren gegaan, hadden we gerustgesteld naar huis kunnen gaan in de overtuiging dat het probleem van de feminisering van hiv/aids nu eindelijk een plaats heeft gekregen op de agenda. Er werd immers heel veel over gezegd in Toronto. Maar buiten de schijnwerpers van de meeste media werden ook nog andere discussies gevoerd over dit thema, en sommige daarvan waren allerminst geruststellend.

Minimale financiële steun voor vrouwenrechten Tijdens de Internationale Aids Conferentie in Toronto presenteerde de Vereniging voor Rechten van Vrouwen in Ontwikkeling (AWID) de resultaten van een recent onderzoek naar de financiering van organisaties die zich inzetten voor de vrouwenrechten. In 2003 bedroeg het nettobedrag aan ontwikkelingshulp van de OESO 69 miljard dollar. Daarvan ging minder dan 0,6 procent rechtstreeks naar NGO’s in ontwikkelingslanden. Bovendien laten de cijfers van 1999-2003 zien dat gedurende die periode 3 procent van het totale budget voor ontwikkelingshulp gericht was op aan gender gerelateerde projecten en slechts een schamele 0,6 procent terechtkwam bij specifieke programma’s ter bevordering van gendergelijkheid. De AWID verklaart de minimale financiële steun aan vrouwenrechten op verschillende manieren. Veel organisaties voor ontwikkelingshulp die de strijd voor gendergelijkheid ooit ondersteunden, hebben hun steun voor vrouwenrechten verminderd. Dit blijkt uit feiten als bezuinigingen op personeel dat zich daarmee bezighoudt en beleidsmatige verschuivingen waarbij vrouwenrechten geen hoge prioriteit meer krijgen. Bovendien zijn er steeds minder mechanismen die ‘accountability’ mogelijk maken, ofwel instanties kunnen dwingen verantwoording af te leggen, om zo te waarborgen dat gendergelijkheid een plaats heeft binnen ontwikkelingsinitiatieven.

‘Beleidsverdamping’ In haar verklaring gebruikt de AWID ook de term ‘beleidsverdamping’. Gendergelijkheid is meestal als doelstelling opgenomen in globale beleidskaders, maar ze ‘verdampt’ wanneer het aankomt op de toewijzing van geld, uitvoering en evaluatie. Voor een deel kan dit verklaard worden door ‘gender-mainstreaming’. Deze strategie, met als doel de genderproblematiek te integreren in alle lagen van programma’s, lijkt een averechtse uitwerking te hebben. Volgens de AWID is mainstreaming een traag en over het algemeen verwarrend proces gebleken. Zo komt het voor dat uitvoerders onder mainstreaming niet meer verstaan dan dat ze meer vrouwen bij hun activiteiten moeten inzetten. Mainstreaming heeft geleid tot bezuinigingen op genderprogramma’s, zowel wat betreft personeel als budgetten.
Het klassieke argument voor deze bezuinigingen is dat aangezien de genderproblematiek breed geïntegreerd wordt, specifieke genderprojecten en activiteiten niet meer nodig zijn. Omdat er echter helaas nog geen sprake is van een duidelijke en strategische aanpak, noch van instrumenten – toezicht en evaluatie - waarmee ‘accountability’ kan worden gegarandeerd, is er ook geen werkelijke, duurzame integratie van de genderproblematiek. Volgens Sunila Abeysekera, directeur van INFORM, Sri Lanka, en winnares van de VN Mensenrechtenprijs in 1998, zijn de gevolgen van ‘gender-mainstreaming’ zo ernstig dat vrouwen in feite geen wezenlijke rol meer spelen binnen de discussie rond ontwikkelingshulp.

Vrouwenorganisaties buiten spel gezet De minimale financiële steun voor projecten ten behoeve van de gendergelijkheid heeft ook andere oorzaken. Er is een tendens onder donorlanden om de ontwikkelingshulp te verbeteren door bijvoorbeeld de managementkosten terug te dringen, meer verantwoordelijkheid bij de regeringen van de ontvangende landen te leggen, en een grotere flexibiliteit mogelijk te maken waar het de besteding van de gelden betreft. Al met al hebben deze nieuwe benaderingen er volgens de AWID toe geleid dat het voor vrouwenorganisaties steeds moeilijker is geworden om aan geld te komen.
Deze nieuwe trend in de benadering van ontwikkelingshulp houdt onder meer in dat donorlanden hun fondsen samenvoegen en ze vervolgens aan hele sectoren of grote gevestigde projecten toewijzen. Binnen bepaalde parameters mag de regering van het ontvangende land bepalen waar het geld naar toe gaat. Voor deze regeringen hebben vrouwenrechten meestal geen prioriteit, en als dit wel het geval is zullen alleen organisaties die op goede voet staan met de regering (lees: zij die de regering niet openlijk bekritiseren) in aanmerking komen voor financiële ondersteuning. Dit betekent dat de meer activistische organisaties van steun verstoken blijven.
Daar komt nog bij dat het algemeen bekend is dat regeringen zich eerder zullen opwerpen als verdedigers van de gebruiken en normen van hun samenleving dan deze ter discussie te stellen. De ‘uitdagers’, de pleitbezorgers die de noodzakelijke veranderingen teweeg kunnen brengen krijgen geen geld meer.

Politieke ideologie, obstakel voor financiering Het is echter het huidige politieke klimaat, aldus de AWID, waarin een cruciale, misschien wel dé cruciale, oorzaak moet worden gezocht voor de povere fnanciering van vrouwenrechten. In Europa, maar vooral in de Verenigde Staten is politiek conservatisme toegenomen, ook op het gebied van vrouwenrechten. De AWID noemt twee belangrijke politieke beslissingen op het gebied van de budgettering die wereldwijd desastreuze gevolgen hebben voor de rechten van vrouwen: de Global Gag Rule en het stopzetten van de bijdragen aan de UNFPA, het bevolkingsfonds van de Verenigde Naties. De Global Gag Rule houdt in dat er geen fondsen van de Amerikaanse overheid naar buitenlandse NGO’s mogen gaan die abortus uitvoeren (tenzij het leven van de moeder in gevaar is, of wanneer sprake is geweest van verkrachting of incest), vrouwen doorverwijzen, counseling aanbieden en/of zich inzetten voor de legalisering en beschikbaarheid van abortus in hun eigen land - zelfs wanneer ze voor dit doel geen Amerikaans geld gebruiken. NGO’s die in aanmerking willen komen voor financiering uit het Amerikaanse budget voor gezinsplanning moeten officieel verklaren dat zij ‘geen abortus uitvoeren en dit ook niet actief propageren als een manier van geboortebeperking’.
Als gevolg van de Global Gag Rule zijn in verschillende ontwikkelingslanden voorzieningen stopgezet en klinieken gesloten. Tekenend is wat er in Nepal met de Vereniging voor Gezinsplanning is gebeurd. Nadat men geweigerd had zich bij de beperkingen neer te leggen, werd niet alleen 100.000 dollar steun van de Amerikaanse overheidsdienst voor ontwikkelingshulp USAID ingetrokken, maar ook 400.000 dollar aan bijdragen van USAID voor voorbehoedsmiddelen. Men zag zich genoodzaakt zestig mensen te ontslaan, de activiteiten van mobiele klinieken in landelijke regio’s te staken en de mensen geld in rekening te brengen om hun werk voort te kunnen zetten.
Dit beleid heeft ook een uiterst negatieve uitwerking gehad op de hiv/aids-respons in ontwikkelingslanden. Wanneer hiv/aids-programma’s geïntegreerd zijn in voorzieningen voor gezinsplanning, en deze voorzieningen worden ingekrompen of afgeschaft, dan verdwijnen daarmee de hiv/aids-programma’s ook. Allerlei gevolgen hiervan, zoals het wegvallen van voorlichting over hiv-preventie en het niet meer verkrijgbaar zijn van condooms, hebben zich in verscheidene arme landen voorgedaan.
Het Amerikaanse beleid met betrekking tot financiële steun aan het UNFPA heeft er ook toe geleid dat er veel minder geïnvesteerd is in vrouwenrechten. De Amerikaanse bijdrage aan het UNFPA werd in 2000 en 2001 gehalveerd en in 2002 stopgezet. Het dichtdraaien van de geldkraan heeft bezuinigingen noodzakelijk gemaakt, zowel in de personele sfeer als wat de programma’s zelf betreft, wat weer heeft geleid tot een aanzienlijke toename van ongewenste zwangerschappen, ziekte en sterfgevallen onder moeders en kinderen. De aanslag op de reproductieve gezondheid beperkt zich helaas niet tot de UNFPA. De Amerikaanse regering heeft onlangs voor het .scale jaar 2007 voorgesteld 18 procent minder bij te dragen aan internationale fondsen voor gezinsplanning.

Taak voor ‘civil society’ Wat valt er te doen aan het lage peil van de ontwikkelingshulp gericht op vrouwenrechten? De AWID ziet als een belangrijke oplossing dat vertegenwoordigers van de ‘civil society’ ijveren voor een vast percentage van ontwikkelingshulp voor vrouwenrechten. Ook moet duidelijker worden waar het geld terecht komt. Daarnaast moeten pleitbezorgers nauw met ontwikkelingsorganisaties samenwerken, om ervoor te zorgen dat er een beter begrip ontstaat voor de uitdagingen waarvoor de kleinere, meer controversiële groeperingen zich door een nieuwe aanpak van ontwikkelingshulp gesteld zullen zien. Dit betekent dat het begrip ‘effectiviteit’ binnen de ontwikkelingshulp opnieuw gedefinieerd dient te worden, zodat er meer flexibiliteit ontstaat, waardoor de hulp in meer situaties relevant kan zijn. Ook zal op nationaal niveau de druk op de politieke besluitvorming rond de toewijzing van ontwikkelingsgeld moeten worden opgevoerd. Om meer middelen ingezet te krijgen voor vrouwenrechten, zo stelt de AWID, moeten we ons richten op de ‘onderliggende geldstromen’ waaruit de bilaterale en multilaterale organisaties de ontwikkelingsactiviteiten financieren. Willen we iets doen aan de toegenomen kwetsbaarheid van vrouwen en meisjes voor hiv/aids, dan zal dit alles, en nog veel meer, moeten gebeuren.


top


zoeken
  Zoeken
SOAIDS Magazine
Nummer 1 april 2008
Nummer 5 december 2007
Nummer 4 oktober 2007
Nummer 3 augustus 2007
Nummer 2 mei 2007
Nummer 1 maart 2007
Nummer 5 december 2006
Nummer 4 november 2006
Nummer 3 september 2006
Nummer 2 juni 2006
Nummer 1 april 2006
Nummer 5 december 2005
Nummer 4 november 2005
Nummer 3 september 2005
Nummer 2 juni 2005
Nummer 1 maart 2005
Nummer 3 december 2004
inhoudsopgave
Hoopgevend onderzoek, twijfel blijft - Rob Vlasblom
   
Onderzoek naar hiv-vaccins - J.N. Vermeulen, J.M. Prins
   
Huidafwijkingen aan de vulva en vagina: Vulvaire aftosis - R. van den Bos, W. van der Meijden
   
Aidsconferentie Toronto: tijd voor daden - Irene Keizer
   
Nut besnijdenis niet clear cut - Sam Gobin
   
Jongeren en hun seksuele zelfbeeld - L. Breeman, J. de Wit, L. Woertman
   
Aids Soa Infolijn scoort bijzonder goed - B. Tempert, F. Mevissen, E. Eiling, H. Schaalma
   
Week van de Liefde rond Valentijnsdag - Matthieu klein Tank
   
'Als preventiewerker moet je een beetje een entertainer zijn' - Matthieu klein Tank
   
‘Kijk, een dode vogel!’ De geschiedenis van De Gebroeders - A. Oomen
   
Focus op vrouwen bij Internationale Aids Conferentie - E. Susuyu Ali, J. Bushee
   
Expliciete seksuele vorming in ontwikkelingslanden - Jo Reinders