Soa/hiv-preventie door huisartsen in achterstandswijken en ondersteuning hierbij
Eva de Feijter, Programmamedewerker intermediairs Soa Aids Nederland
De toename van soa in Nederland is het sterkst te zien bij chlamydia, gonorroe, vroege syfilis en hiv-infectie. Daarbij zijn duidelijke verschillen aantoonbaar voor afzonderlijke subgroepen. Vrouwen jonger dan 25 jaar lopen het grootste risico van chlamydia of gonorroe, maar ook bepaalde etnische groepen – waaronder Surinamers, Antillianen en Arubanen – lopen relatief meer kans op deze soa.1Om deze groepen beter te bereiken is gekeken waar ze zich hoofdzakelijk vestigen. Etnische minderheden vestigen zich relatief vaak in achterstandswijken van grote steden.* Naar schatting komt 70% van de soa-gerelateerde klachten bij de huisarts terecht. Meer dan de helft van alle door huisartsen gediagnosticeerde soa betreft hoog-stedelijke gebieden, en dan vooral achterstandswijken.2 Ondersteuning van huisartspraktijken in achterstandswijken is wenselijk om bovengenoemde etnische groepen beter te bereiken.
Bevolkingsachtergrond Omdat etnische groepen relatief vaker woonachtig zijn in grote steden, zijn onderzoeken naar deze groepen veelal afkomstig uit de G4 (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht). Uit gegevens van de Amsterdamse soa- polikliniek blijkt dat gonorroe en chlamydia twee tot drie keer vaker voorkomen onder Surinamers en Antillianen, dan onder autochtone Nederlanders.3 Een onderzoek onder 15-29-jarigen in vier GGD-regio’s toont aan dat de chlamydia-prevalentie onder Surinaamse en Antilliaanse vrouwen het hoogst is: 12,1%.3 Eerder onderzoek onder patiënten van Amsterdamse huisartsen toont aan dat één op de vijf Surinaamse vrouwen jonger dan 25 jaar een chlamydia-infectie heeft.4 Ook de hiv-prevalentie onder Surinamers, Antillianen en Afrikanen ten zuiden van de Sahara is in Amsterdam Zuidoost relatief hoog (1,1% tegenover 0,2% in de algemene Nederlandse bevolking).5 Uit de recente hivsurvey (2003-2004) bij hoog-risicogroepen in Amsterdam blijkt de hiv-prevalentie onder Surinamers en Ghanezen iets lager te zijn, namelijk 0,6%. In de steekproef zaten geen hiv-positieve Antillianen/Arubanen.6
seksueel risicogedrag Uit de Amsterdamse hiv-survey 2003-2004 (N= 799) blijkt dat het condoomgebruik van Antillianen/Arubanen met een vaste partner laag is. Tien procent gebruikt altijd condooms. Ook voor Surinamers is het condoomgebruik bij vaste partners laag, 14%. Hetzelfde onderzoek laat zien dat Surinamers iets vaker dan Antillianen/Arubanen losse partners in de voorgaande 6 maanden hebben gehad (38% tegenover 33%). In 53% van de gevallen hebben Surinamers altijd een condoom gebruikt met losse partners, voor Antillianen/Arubanen ligt dit percentage lager (44%). Mannen uit de genoemde etnische groepen hebben vaker seksueel contact met losse partners tijdens een bezoek aan het land van herkomst. Hierbij wordt door ongeveer 70% van de Antilliaanse en Surinaamse mannen bij het laatste bezoek altijd een condoom gebruikt. Het condoomgebruik van Antilliaanse en Surinaamse vrouwen met losse partners in het land van herkomst ligt aanzienlijk lager, 33% tegenover 25%.6 Hiv-overdracht vindt in de Caraïben hoofdzakelijk plaats via heteroseksueel contact. Onbe schermde seks in het land van herkomst verhoogt daarom het risico van een hiv-infectie en daarmee ook het risico van hiv-overdracht voor partners waarmee onbeschermde seks plaatsvindt bij terugkomst in Nederland.7
testgedrag, lokatie en informatiebehoefte De Amsterdamse hiv-survey laat zien dat ongeveer een vijfde van de Antillianen/Arubanen en Surinamers in de afgelopen 12 maanden een soa-onderzoek heeft ondergaan. Uit het onderzoek ‘Seks onder je 25e’ blijkt dat jongeren met een Surinaamse en Antilliaanse achtergrond zich relatief vaak laten testen op zowel soa als hiv. Meisjes vaker dan jongens. De meest genoemde redenen voor jongeren in het algemeen om zich te laten testen is ‘voor de zekerheid’. In het zelfde onderzoek is gevraagd waar de jongeren als eerste naartoe zouden gaan als ze zouden denken dat ze een soa hadden. Meer dan de helft van de jongeren met een Surinaamse en Antilliaanse achtergrond kiest voor de huisarts (respectievelijk 65% en 62%).8
professionals in de huisartspraktijk In de grote steden is 15% van de huisartsen gevestigd in achterstandswijken.9 Zoals reeds in de inleiding is vermeld, zijn huisartsen een belangrijke groep intermediairs in de soa-bestrijding. Ondanks het feit dat Surinaamse en Antilliaanse jongeren bij het vermoeden van een soa niet direct naar de huisarts gaan, geven zij wel aan dat zij behoefte hebben aan informatie van de huisarts. Hierbij gaat het om onderwerpen als: hoe maak je het vrijen leuker/lekkerder, voorbehoedmiddelen, hiv en aids, maagdelijkheid, zwangerschap en kinderen krijgen en abortus.8 Voor huisartsen ligt hier een directe ingang om met de patiënt soa/hiv (-preventie) ter sprake te brengen. Hierbij wordt echter een aantal specifieke knelpunten gesignaleerd: praten over soa/hiv(-preventie) en seksualiteit is voor zowel artsen als patiënten niet altijd even gemakkelijk. Ook het motiveren van de patiënt zich te laten testen op soa en hiv is lastig. Het is belangrijk dat juist huisartsen werkzaam in achterstandswijken waar de soa-problematiek groter is dan in andere wijken, op de hoogte zijn van en aandacht hebben voor soa/hiv-preventieactiviteiten. Maar ook de doktersassistente of praktijkassistente – immers het eerste aanspreekpunt in de huisartspraktijk – zou een rol kunnen vervullen op dit gebied.
praktijkondersteuning Door een toenemende werkbelasting van huisartsen en de verdere professionalisering van praktijkassistenten, hebben huisartsen steeds meer taken gedelegeerd aan hun assistenten.10 In de praktijk blijkt dat er veel verschillen bestaan tussen de omstandigheden waarin assistenten in de huisartspraktijk werken. De helft van de assistenten (53%) draait een zelfstandig spreekuur en acht op de tien assistenten beschikken over een eigen werkruimte waarin zelfstandig patiënten kunnen worden behandeld. Daarnaast houden assistenten zich ook bezig met het telefonisch geven van (medische) adviezen. In 2001 geven zeven van de tien assistenten aan altijd of vaak dit soort adviezen te geven. Negen van de tien assistenten adviseren altijd of vaak bij urineweginfecties. Ook het geven van voorlichting op allerlei gebieden wordt door assistenten gedaan.10 In 1999 werd de praktijkondersteuner op HBO-niveau geïntroduceerd met als doel zowel werklastverlichting voor huisartsen als kwaliteitsverbetering.11 Door de introductie van de praktijkondersteuner in huisartspraktijken wordt een aantal taken door hen overgenomen die in andere praktijken door de assistenten worden verricht. Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan het doen van cervixuitstrijkjes. Toch lijkt de inzet van praktijkondersteuners over het algemeen niet ten koste te gaan van het aantal uren assistentie.11
Het is wenselijk om te werken aan deskundigheidsbevordering van zowel huisartsen, assistenten als praktijkondersteuners op het gebied van soa/hiv(-preventie), omdat al deze professionals op enigerlei wijze iets kunnen betekenen in de soa-bestrijding. Het ontwikkelen en aanpassen van bijscholingsmodules voor deze professionals speelt hierbij een belangrijke rol.
Om de professionals in huisartspraktijken te enthousiasmeren voor de onderwerpen soa/hiv(-preventie) en veilig vrijen is een promotiepakketje ontwikkeld, de zogenoemde ‘toolkit voor de professional’.** Deze bevat naast informatie- en voorlichtingsmaterialen ook een cd-rom/dvd met fragmenten van gesprekken tussen huisarts/doktersassistente en patiënt, die een aantal typische praktijksituaties weergeven. De doktersassistente wordt aan de balie geconfronteerd met vragen over chlamydia, hoe ga je daarmee om? Wanneer breng je soa/hiv ter sprake als het niet direct de hulpvraag van de patiënt betreft? Waar kan ik terecht voor meer informatie over soa en hiv?’ Ook wordt aandacht besteed aan knelpunten die huisartsen en doktersassistenten ervaren in de dagelijkse praktijk en worden ideeën aangedragen om met gestelde knelpunten De ‘toolkit’ wordt in de eerste helft van 2006 verspreid onder huisartspraktijken in achterstandswijken in de G4 waar relatief veel Antillianen/Arubanen en Surinamers wonen. Overige geïnteresseerden kunnen vanaf die datum de ‘toolkit’ of alleen de cd-rom/dvd bestellen, zolang de voorraad strekt. Voor meer informatie: edefeijter@soaaids.nl.
* Wijken waarvan de bewoners gemiddeld een lage sociaaleconomische status hebben. Het zijn wijken waar relatief veel mensen wonen met een laag inkomen, laag opleidingsniveau of die (ook) werkloos zijn (vaak gaat het om een combinatie van deze kenmerken) (RIVM, 2001). ** Deze productie wordt mede mogelijk gemaakt door GlaxoSmithKline BV
Referenties
- Van de Laar, MJW, de Boer IM, Koedijk FDH, op den Coul ELM. HIV and Sexually Transmitted Infections in the Netherlands in 2004. RIMV rapport nr. 41100022. Bilthoven: Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2005.
- Van Bergen JEAM, Kerssens JJ, Schellevis FG, Sandfort TG, Coenen TJ, Bindels PJ. Prevalence of STI related consultations in general practice: results from the second Dutch National Survey of General Practice. British Journal of General Practice 2005; 56: 104-109.
- Versterken van soa/hiv preventies in Stadsdeel Zuidoost. Voorstel naar aanleiding van de werkconferentie over soa/hiv in Amsterdam Zuidoost 12 december 2003. GG&GD Amsterdam 2004.
3 Van Bergen JEAM, Götz HM, Richardus JH, Hoebe CJPA et al. Chlamydia trachomatis-infecties in 4 regio’s in Nederland: resultaten van een bevolkingsonderzoek via de GGD en implicaties voor screening. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2005; 149: 2167-2174.
- Van den Hoek JA, Mulder-Folkerts DKF, Coutinho RA, Dukers NHTM, Buimer M et al. Opportunistische screening op genitale infecties met Chlamydia trachomatis onder de seksueel actieve bevolking in Amsterdam. I. Meer dan 90% deelname en bijna 5% prevalentie. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 1999; 143: 668-672.
- Gras MJ, Weide JF, Langendam MW, Coutinho RA, Van den Hoek A. HIV prevalence, sexual risk behaviour and sexual mixing patterns among migrants in Amsterdam, the Netherlands. Journal of Acquired Immune Deficiency Syndromes 1999;13: 1953-1962.
- Van Veen MG et al. HIV-surveys bij hoog-risicogroepen in Amsterdam 2003-2004. RIMV rapport nr. 441100021. Bilthoven: Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2005.
- Gras MM, Van Benthem BHB, Coutinho RA, Van den Hoek A. Determinants of high-risk sexual behavior among immigrant groups in Amsterdam: Implications for interventions? Journal of Acquired Immune Deficiency Syndromes 2001; 28: 166-172.
- De Graag H, Meijer S, Poelman J, Vanwesenbeeck I. Seks onder je 25e; seksuele gezondheid van jongeren in Nederland anno 2005. RNG-studies nr. 7. Delft: Eburon, 2005
- Verkleij H, Verheij RA. Zorg in de grote steden. RIVM rapport nr. 270556007. Bilthoven : Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2003
- Van de Berg MJ, Kolthof ED, de Bakker DH, van der Zee J. Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk. De werkbelasting van huisartsen. Utrecht: NIVEL, 2004.
- De Bakker D, Nijland A, de Haan J. De invloed van praktijkondersteuning op de werklast van huisartsen. Utrecht: NIVEL, 2004.
top
|
| zoeken |
|
|
| SOAIDS Magazine |
|
|
| inhoudsopgave |
|
|
|