Hulpverlening aan mensen met hiv: wettelijk vastgelegde plichten en grenzen
Ronald Brands - beleidsmedewerker Maatschappelijke en juridische aspecten Soa Aids Nederland
Hulpverleners van mensen met hiv, zoals de huisarts die zich in dit themanummer afvraagt waar haar grenzen liggen ten aanzien van haar patiënten met hiv en hun seksuele partners, hebben behalve met morele plichten ook te maken met juridische. Dit artikel gaat over plichten en grenzen daarvan, voorzover die wettelijk zijn vastgelegd en de uitgangspunten van de juridische benadering.
Het uitgangspunt binnen de soa-bestrijding1 is, dat in geval van seksueel contact tussen twee individuen, het een verantwoordelijkheid van beiden is om de eigen gezondheid te beschermen en de mogelijke nadelige consequenties van het contact te voorkomen.2 Bij partnerwaarschuwing bij soa heeft de hulpverlener de toestemming van de cliënt nodig om zijn of haar seksuele partners te informeren; dit berust dus op vrijwilligheid. De cliënt heeft de morele plicht hieraan mee te werken. Vaak ervaren hulpverleners zelf ook deze plicht, maar zij hebben hierbij slechts een ondersteunende rol. De hulpverlener kan zich in een gerechtelijke procedure beroepen op zijn zwijgplicht, beroepsgeheim en verschoningsrecht.
Uitgangspunten bij partnerwaarschuwing De partnerwaarschuwing bij soa berust op vrijwilligheid. Het waarborgen van privacy en het beschermen van de cliënt zijn hierbij vereist.Wel heeft de cliënt een morele plicht om mee te werken aan het waarschuwen van de eigen seksuele partner(s). Het is om een aantal redenen zinloos en contraproductief om partnerwaarschuwing wettelijk te verplichten. Mensen zouden minder snel en in veel mindere mate een soa-onderzoek laten doen. Mensen met een mogelijk soa-risico zouden langer met klachten blijven rondlopen en hierdoor meer mensen infecteren met een soa. Het aantal anonieme contacten zou waarschijnlijk alleen maar gaan toenemen.
Preventie en volksgezondheid In de wet collectieve preventie en volksgezondheid (WCPV) zijn duidelijk de verantwoordelijkheden vastgelegd met betrekking tot het bewaken, bevorderen en beschermen van de volksgezondheid3. Deze verantwoordelijkheden liggen nadrukkelijk bij de gemeenten. Een onderdeel van de WCPV is het bestrijden van infectieziekten, waaronder soa. Deze bestrijding houdt in het geven van voorlichting en begeleiding, het beantwoorden van vragen uit de bevolking, controle van specifieke groepen, het verzamelen, analyseren en toepassen van epidemiologische gegevens en het passief en actief uitvoren van bron- en contactopsporing.4 De gemeenten dienen deze taken uit te laten voeren door de GGD-en.
Geen meldingsplicht bij soa Het bestrijden van infectieziekten is nader uitgewerkt in de infectieziektewet.5 Het betreft bepalingen met betrekking tot signaleren (wettelijk verplichte melding), het nemen van maatregelen en voorwaarden tot het beschermen tegen infectieziekten. Er is geen meldingsplicht voor soa (uitgezonderd hepatitis B), omdat men zich tegen een soa kan beschermen en het een verantwoordelijkheid van beide partners is om de eigen gezondheid te beschermen en de mogelijke nadelige consequenties van een seksueel contact te voorkomen. Er is in principe geen bedreiging van het algemene volksgezondheidsbelang.
Burger zelf verantwoordelijk De overheid gaat ervan uit dat de burger zelf in staat is zichzelf en de partner(s) te beschermen. De enige uitzondering is het ongeboren kind. Dit is dan ook het enige geval waarbij de Overheid het initiatief neemt tot hiv-screening van zwangeren. In alle andere gevallen zijn burgers zelf verantwoordelijk. De overheid is in deze wel verantwoordelijk de burgers goed te informeren en financiert daartoe preventieprojecten. |
Geheimhoudingsplicht Hulpverleners die betrokken zijn bij partnerwaarschuwing hebben een geheimhoudingsplicht.6 Zij hebben dus altijd toestemming van hun cliënt nodig om over te gaan tot waarschuwing. Er zijn geen wettelijke criteria die het doorbreken van deze plicht een juridisch kader geven en eveneens bestaat er geen aangifteplicht voor hulpverleners.7 |
Gebruik strafrecht haalt preventieboodschap onderuit Tot 2001 werden in Nederland uit volksgezondheidsoverwegingen volgens het principe 'it takes two to tango' mensen met hiv niet vervolgd voor onbeschermde seks. Vanaf 2001 echter werden mensen met hiv, wanneer zij onbeschermde seks hadden, zonder de betrokken partners ervan op de hoogte te stellen dat zij hiv hadden, veroordeeld wegens poging tot doodslag. Vanaf 2004 werd er vervolgd op grond van poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het ging hierbij in totaal om tien rechtszaken.
Geen reden voor strafrechtelijke bepaling De Hoge Raad (HR) heeft begin 20058 bepaald dat er geen reden is voor vervolging als bij onbeschermde seks door iemand met hiv de sekspartner niet is geïnfecteerd. De kans op infectie acht de HR in het algemeen niet zo groot, tenzij er risicoverhogende omstandigheden zijn. De HR spreekt zich daarover niet uit, maar deze zouden bijvoorbeeld soa kunnen zijn die overdracht van hiv vergemakkelijken (ulceratieve soa zoals herpes en gonorroe), het niet gebruiken van de combinatietherapie of een hoge viral load. De HR gaf ook indirect aan dat een mogelijk strafechtelijk optreden van het Openbaar Ministerie op een expliciete wettelijke bepaling gebaseerd moet zijn. Het Kabinet heeft in juni 2005 de Tweede kamer in een notitie9 laten weten, in het licht van de hiv-preventie en het volksgezondheidsbelang, dat een dergelijke wettelijke bepaling onwenselijk is. Meer informatie over de ontwikkelingen op dit terrein is na te lezen op www.hivnet.org
Zwijgplicht Beroepsuitoefenaren op het terrein van de individuele gezondheidszorg kunnen zich, wanneer hen in een gerechtelijke procedure wordt gevraagd naar de hiv-status of het vermeende onveilige gedrag in seksuele relaties van een verdachte cliënt, beroepen op hun beroepsgeheim en het daaruit voortvloeiende verschoningsrecht.10 Dit strekt zich niet alleen uit tot de feiten die betrekking hebben op de behandeling en verzorging van de cliënt. Maar ook over andersoortige zaken die de hulpverlener zijn medegedeeld, moet hij zwijgen als het openbaar maken daarvan het vertrouwen van een cliënt zou beschamen. |
Conclusie Bovengenoemde juridische grenzen aan de plichten van hulpverleners bij de hulpverlening aan hun cliënten sluiten echter niet uit dat hulpverleners en de cliënt samen aan de slag kunnen gaan. Er is hierbij dan een tweeledig doel. Met elkaar in gesprek blijven over veilig vrijen en het informeren van de partner. De methodiek Motiverende gespreksvoering (welke bewezen effectief is in andere werkvelden) kan hierbij van dienst zijn. Uitgangspunt hierbij is en blijft het belang om de vertrouwensrelatie tussen hulpverlener en cliënt in stand te houden. Dit is de basis voor een effectieve hulpverlening.
Referenties
- Onder soa wordt ook hiv-infectie en aids verstaan.
- Uiteraard geldt dit niet indien er sprake is van machts-ongelijkheid en/of seksueel misbruik, LCI Draaiboek partnerwaarschuwing bij soa, 2006.
- artikel 1b, WCPV, 1 januari 2003.
- artikel 1c, WCPV, 1 januari 2003.
- infectieziektewet, 1 april 1999.
- De geheimhoudingsplicht is in diverse wetten verankerd; WBGO, Wet BIG en Wetboek van Strafrecht.
- artikel 160, Wetboek van Strafvordering.
- HR 02659/03, 18 januari 2005.
- Notitie Consequenties uitspraak van de Hoge Raad van 18 januari 2005 inzake strafbaarheid overbrengen mogelijke HIV- besmetting, Ministerie van Justitie, 15 juni 2005.
- De zwijgplicht is in diverse wetten verankerd: WGBO, Wet BIG, BW, Wetboek van Strafrecht.
top
|