Jaargang 1, nummer 3 - december 2004 Terug naar home
Print versie
Aidsbehandelaar Jan Prins
Liever ongepast optimisme dan defaitisme


Matthieu klein Tank, Freelance journalist


Foto: Jan Carel Warffemius
Hoe frustrerend is het voor een arts om mensen te zien overlijden zonder dat je veel kunt doen? Jan Prins maakte als arts in opleiding mee hoe weinig de medische wereld mensen met aids in 1990 te bieden had. Twaalf jaar later werkte hij als aidsbehandelaar drie maanden in een ziekenhuis in Botswana, dat vol lag met stervende mensen. In het westen is in tien jaar enorme vooruitgang geboekt. En ook voor Afrika heeft Prins hoop.

Geen hoop Tijdens zijn opleiding in het AMC kwam Jan Prins in 1990 terecht op de aidsafdeling, waar hij zaalassistent werd. Een behandeling was er destijds nog niet en er gingen veel mensen dood. Ook voor de mensen die daar werkten was dat moeilijk. Prins: ‘Maar iedereen ging daar heel goed mee om. De verpleegkundigen op die afdeling hadden er uitdrukkelijk voor gekozen daar te werken. Ik vond het wel zwaar, maar ook op de afdeling waar ik daarvoor werkte, hematologie, was de sfeer niet echt vrolijk. Eigenlijk vond ik dat nog zwaarder. Bij hematologie had je veel mensen met ziekten als leukemie; vaak ging dat ook om jonge mensen. Het verschil met de aidsafdeling was dat iedereen daar nog de hoop had op genezing. Ze knokten tegen hun ziekte, maar gingen helaas vaak vechtend ten onder. De mensen met hiv wisten dat er geen hoop voor hen was.’

Ommekeer Vier jaar later keerde Prins terug op de hiv-poli. ‘Er waren toen, in 1994, wat meer medicijnen beschikbaar. Maar de patiënten werden hondsberoerd van de middelen die ze toen kregen. We dachten dat ze het niet lang vol zouden houden. Maar na een tijdje zagen we velen toch opknappen. Met een aantal van hen heb ik inmiddels al een tienjarig jubileum kunnen vieren. En toen kwam in 1996 de combinatietherapie. Dat gaf bij de dokters veel verwarring. Al die nieuwe medicijnen, hoe moest je die op een goede manier gebruiken? Wat doe je bijvoorbeeld als bij iemand het virus resistent wordt tegen de gebruikte middelen. Vervang je dan de hele combinatie of één medicijn? Voor de patiënten betekende de komst van de combinatietherapie een verschil van dag en nacht. En voor een arts is het natuurlijk ook veel dankbaarder werken als je mensen vooruit ziet gaan. Ik denk dat er op slechts weinig gebieden in de medische wereld in een periode van tien jaar zoveel is veranderd. En het gaat nog steeds door. Als je een half jaar niet naar een congres geweest bent loop je vreselijk achter. Iemand die nu begint met de combinatietherapie, die enige vorm van discipline heeft en een levensstijl die het innemen van die medicijnen mogelijk maakt, heeft een grote kans op te knappen.’

Ook in Afrika kan het Die hoop is voor veel mensen in Afrika nog ver weg. Prins werkte in 2002 drie maanden in een ziekenhuis in een stad met 60.000 inwoners in Botswana. ‘Dat ziekenhuis lag stampvol met mensen met hiv. Acht van de tien mannen verkeerden in het eindstadium van aids. Iedere dag gingen er wel een paar dood. De dokters waren enorm gedesillusioneerd, want ze stonden al tien jaar met lege handen. Ik ging daar naartoe in het kader van een project van het farmaceutisch bedrijf MSD en Bill Gates. De farmaceutische bedrijven moesten op dat moment wel iets voor hun imago doen, want op de aidsconferentie in Durban hingen posters met foto’s van bestuurders van de grote farmaceutische bedrijven met de tekst “wanted”.’
De publieke opinie vond dat de farmaceutische industrie de plicht had landen te helpen die niet in staat waren zelf de medicijnen te kopen. Voor Botswana kwam honderd miljoen dollar ter beschikking voor de bestrijding van aids. Een deel daarvan was bestemd voor het starten met de behandeling van mensen met hiv. Prins: ‘De dokters daar hadden er nog geen enkele ervaring mee. Daarom werden Nederlandse artsen naar Botswana gestuurd om hen op te leiden. Er was voor dit land gekozen omdat het rijk en redelijk stabiel is en het hoogste aantal hiv-positieven van zuidelijk Afrika heeft. De basisvoorzieningen waren er dus wel, maar men had een grote schroom om mensen op pillen te zetten. Met dit project wilde men laten zien dat het kon.’

Met geen woord De situatie in Botswana schokte Prins. ‘Het ziekenhuis lag vol, maar niemand sprak over aids. Mensen gingen zogenaamd dood aan allerlei andere ziekten. Je kon tegen de patiënten en hun familie niet zeggen dat er sprake was van een hiv-infectie. Natuurlijk wist iedereen dat het niet goed was als je ineens twintig kilo afviel. Zo begon het bij anderen die even later overleden immers ook. Ik zag ze liggen, jonge mensen met de doodsangst in hun ogen. Ze gingen eenzaam dood, niemand bemoeide zich met hen. Natuurlijk was het in Nederland in het begin ook een taboeonderwerp, maar er waren altijd wel groepen waarbinnen je er wel over kon praten. Hier niet. Ik zat aanvankelijk in een hotel en op zaterdag reden er alleen begrafenisstoeten voorbij. Het probleem was zo omvangrijk, maar er werd met geen woord over gerept. Voor een westerling is het niet te begrijpen dat er geen crisisberaad gehouden werd.’

Na drie maanden vertrok Prins weer. ‘Ik had het gevoel dat ik ze in de steek liet. Maar ja, ik heb een gezin en kan dus niet zomaar drie jaar wegblijven. Als ik alleenstaand was geweest had ik dat zeker wel gedaan. Mijn hart ligt daar. Niet dat ik een missionariscomplex heb, maar je moet wel van steen zijn om niet geraakt te worden als je de ene na de andere twintigjarige dood ziet gaan. Natuurlijk, de patiënten die ik hier bij het AMC zie komen ook niet vanwege zweetvoeten. Maar als ik hier ineens drie maanden weg ben, breekt er zeker geen crisis uit. Daar maakt één dokter zoveel meer verschil dan hier.’

Therapietrouw Dit jaar ging Prins voor zes weken terug naar Botswana. En hij kwam enthousiast terug. ‘In de hoofdstad hebben ze nu de grootste hiv-poli ter wereld, met 5.000 patiënten. In het hele land worden nu 10.000 mensen behandeld. Natuurlijk, dat is nog niet genoeg. Maar ik was verbluft door wat daar in twee jaar tot stand is gebracht. Vooraf werd gedacht dat mensen in Botswana hun pillen minder goed zouden innemen dan hier. Maar de therapietrouw is net zo hoog.’
Dat is opmerkelijk, want het lijkt erop dat het met de therapietrouw van Afrikanen in Nederland minder positief gesteld is. Bij allochtonen met hiv (een groep die voor een groot deel bestaat uit Afrikanen) faalt de therapie namelijk vaker dan bij autochtonen. Het Aids Fonds heeft een project opgezet om te onderzoeken hoe dat komt. Prins is daarbij betrokken. ‘Van de nieuwe patiënten in het AMC is ruim de helft van allochtone komaf. Van hen doet driekwart het uitstekend, maar dat is toch iets lager dan bij autochtonen. In Botswana geven verpleegkundigen veel aandacht aan therapietrouw en dat werkt blijkbaar. Waarom hier niet? Mogelijk is er in Botswana sprake van een selectie: alleen de mensen die het echt zien zitten komen voor de behandeling. Ook bij Afrikanen hier is het taboe op aids groot. Als niemand mag weten dat je hiv hebt is het wellicht moeilijk die pillen in te nemen als je met veel mensen in een huis woont. En voor illegalen die geen vaste verblijfplaats hebben is het wellicht lastig de pillen altijd op de vaste tijd in te nemen. Maar het kan ook te maken hebben met hoe ze tegen ziekte aankijken. Westerlingen accepteren dat aids veroorzaakt wordt door een virus en dan is het nemen van een pil logisch. Maar dat ligt heel anders als je denkt dat ziekte ontstaat omdat je voorouders ontstemd zijn.’

Te redden continent Ondanks zijn enthousiasme over het project in Botswana realiseert Prins zich dat een oplossing voor aids in Afrika nog ver weg is. ‘Het succes in Botswana geeft een vertekend beeld. Er is daar water en stroom, er zijn keurig verkiezingen en niemand staat een ander naar het leven. Het is wat dat betreft een eiland van rust in Afrika. In Zimbabwe hebben mensen nauwelijks te eten, in Kongo is het een grote bende en in Nigeria is niet veilig... Dan is het opstarten van een behandeling voor aids wel heel ver weg. Maar het spreken van een ‘verloren continent’, zoals in het westen vaak gebeurt, maakt het nog erger. Wie zijn wij om dat te bepalen? Natuurlijk ben ik realist genoeg om te zien dat er in veel landen nog weinig zicht is op een oplossing. Maar ik ben liever ongepast optimistisch dan weg te zinken in defaitisme.’


top


zoeken
  Zoeken
SOAIDS Magazine
Nummer 1 april 2008
Nummer 5 december 2007
Nummer 4 oktober 2007
Nummer 3 augustus 2007
Nummer 2 mei 2007
Nummer 1 maart 2007
Nummer 5 december 2006
Nummer 4 november 2006
Nummer 3 september 2006
Nummer 2 juni 2006
Nummer 1 april 2006
Nummer 5 december 2005
Nummer 4 november 2005
Nummer 3 september 2005
Nummer 2 juni 2005
Nummer 1 maart 2005
Nummer 3 december 2004
inhoudsopgave
Beweging in de soa-/aidsbestrijding - Jan van Bergen
   
Behandeling van hiv-infectie - 'state of the ART' - Luc Gelinck
   
Lymfogranuloma Venereum, de stand van zaken - Henry J.C. de Vries
   
'Het soa-consult' - de nieuwe NHG-Standaard - Michou Mastboom
   
Screening op chlamydia - Jan van Bergen
   
Toenemende resistentie bij gonokokken
Nieuwe herziene NVDV-richtlijnen voor behandeling van soa - SOA Commissie/SOA Kernwerkgroep NVDV
   
Huidafwijkingen aan de penis: Erytroplasie van Queyrat en Plaveiselcelcarcinoom - J.W.M. Engelen / V. Sigurdsson
   
Epidemiologie van hiv/aids en soa in 2003 - Marita van de Laar / Eline Op de Coul
   
Toename van soa-consulten bij de huisarts - Jan van Bergen
   
Referaat: Invloed van HAART op seksueel risicogedrag - John B.F. de Wit
   
Resultaten Eerste Monitoronderzoek Amsterdam - Wim Zuilhof / Tobias Dörfler / Harm Hospers
   
Recensie promotieonderzoek: Soa- en hiv-preventie bij mannen die seks hebben met mannen. De beschermende werking van vrees - Antony Oomen
   
Seks en internet - Kees Rietmeijer
   
Minisymposium hiv-sneltest - Daniel van Schaik
   
Voorlichting via communitywebsites - Suzanne Meijer
   
Interview aidsbehandelaar Jan Prins - Matthieu klein Tank
   
Recensie Geen paniek in de polder - Rob Vlasblom
   
Dance4Life - Rob Vlasblom