'Als preventiewerker moet je een beetje een entertainer zijn' - interview met GGD-medewerker Oswaldo de Britto
Matthieu klein Tank - freelance journalist
Hoewel Nederland op het gebied van seksualiteit als uitermate liberaal te boek staat, is een gesprek over dit onderwerp toch niet altijd gemakkelijk. In andere culturen is het taboe doorgaans nog groter. Voorlichting door iemand uit de eigen culturele groep verlaagt de drempel aanzienlijk, is de ervaring van Oswaldo de Britto van de Rotterdamse GGD.
Als je zijn accentloze Nederlands hoort zou je het niet vermoeden, maar de 43-jarige van de Kaap Verdische eilanden afkomstige Oswaldo de Britto kwam pas op zijn twintigste naar Nederland. Hij volgde de opleiding Maatschappelijk Werk en studeerde ook nog even Sociologie. Maar al snel ging hij werken voor enkele van de vele Kaap Verdische organisaties die Rotterdam telt. Als presentator van lokale radio- en tv-programma’s voor deze bevolkingsgroep werd hij binnen die gemeenschap al snel een bekend gezicht. Die ervaring kwam goed van pas toen hij als Voorlichter Eigen Taal en Cultuur (VETC-er) parttime in dienst kwam bij de GGD Rotterdam. Inmiddels is hij daar in vaste dienst als coördinator van de op migranten gerichte preventie. De Britto: ‘Je moet als preventiewerker een beetje een entertainer zijn, zo kun je mensen op hun gemak stellen en aan je binden. In het begin was dit onderwerp hiv en soa ook voor mij wel een taboe. De cursus die ik als VETC-er kreeg was heel nuttig, ook om te wennen aan de woorden waarmee je je verhaal vertelt. Die moet je toch leren uitspreken zonder te gaan blozen. Ik had geen vrees voor spreken in het openbaar, maar dit is toch wel een lastig onderwerp. Je moet goed aanvoelen of je publiek bijvoorbeeld moeite heeft met bepaalde woorden.’
Kaartspel Is de goede toon eenmaal gevonden, dan blijkt een gesprek over seksualiteit en gezondheidsproblemen die hiermee verband kunnen houden ook voor mensen uit culturen die minder gewend zijn hier openlijk over te praten goed mogelijk. De Britto: ‘Bij de GGD Rotterdam hebben we het spel “Onze kaarten op tafel” ontwikkeld om gemakkelijker in gesprek te raken over hiv en soa. Het is gericht op mannelijke heteromigranten tussen de 15 en de 35 jaar. We hebben het planmatig opgezet. Eerst is aan de hand van een vragenlijst onderzocht wat de doelgroep al weet en wat ze nuttig en leuk vinden. De conclusie was dat ze niet teveel tijd willen besteden aan een interventie maar dat praten over seksualiteit geen probleem is. Op basis daarvan hebben we een kaartspel ontworpen. Het blijkt een goede methode te zijn om het gesprek op gang te brengen.’
Via de kaarten krijgen de deelnemers situaties voorgeschoteld waarbij het mogelijk tot onveilige seks zou kunnen komen en ze krijgen de vraag hoe ze dan zouden handelen. De Britto: ‘Bijvoorbeeld op vakantie gaan naar je land van herkomst terwijl je in Nederland een vriendin hebt. Dat is voor veel migranten een herkenbare situatie. Sommigen geven toe dat er in dat geval wel eens iets zou kunnen gebeuren. Anderen doen zich misschien beter voor dan ze zijn en ontkennen dat ze in de verleiding kunnen komen. Hoe dan ook, het is een goede methode om spelenderwijs in gesprek te komen over een serieus onderwerp. Daarna mogen ze een kaart van een andere kleur kiezen met daarop een attribuut, bijvoorbeeld een fles wijn, Viagra of een condoom. Kiezen ze de wijn, dan kan het gesprek komen op de invloed die alcohol kan spelen bij het voornemen al dan niet veilig te vrijen. Op een volgende set kaarten staan voorwerpen als een string, een gouden ring of een mooie auto. Mensen stellen zich op deze manier een situatie voor die voor henzelf herkenbaar is. Je kunt op die manier goed je boodschap overbrengen, maar er wordt ook heel wat gelachen.’
Frustrerend Voordat je voorlichting kunt geven, moet er wel eerst contact zijn met de doelgroep. Simpelweg een avond organiseren over hiv en soa in het buurthuis werkt niet, zegt De Britto. ‘Dan sta je voor een handjevol mensen te praten en dat is frustrerend. Daar zijn we dan ook maar mee gestopt. Mensen zijn bang om op zo’n bijeenkomst gezien te worden, omdat anderen dan wellicht gaan denken dat ze daarheen gaan omdat ze zelf geďnfecteerd zijn. Daarom bieden we onze informatie bijvoorbeeld aan in een serie bijeenkomsten met algemene gezondheidsvoorlichting, in samenwerking met het NIGZ. Bijeenkomst vier of vijf gaat dan over infectieziekten. Als je het op die manier inkleedt kan dat ook prima in bijvoorbeeld moskeeën.’ Hoewel hij zich ook richt op andere groepen migranten, werkt De Britto veelal voor de Kaap Verdische gemeenschap. En die kent voldoende verenigingen die de gelegenheid bieden de doelgroep te bereiken. Er is bijvoorbeeld een eigen voetbalcompetitie en op toernooien komen teams uit onder andere Frankrijk en Italië. En er zijn diverse grote festivals, waar de GGD aanwezig is met een stand. De Britto: ‘Die evenementen zijn altijd heel gezellig, je komt er iedereen tegen. Je hebt dus een groot bereik, maar het contact is natuurlijk wel vluchtig. Je zou veel meer tijd willen hebben voor je verhaal. Maar al druk je alleen maar iemand een condoom in de hand als hij komt klagen dat die dingen zo duur zijn, dan denk ik toch: goed dat ze die nu in ieder geval bij zich hebben.’
Actieve betrokkenheid van de doelgroep is volgens De Britto essentieel voor succes. ‘Organisaties voor migranten klagen vaak dat ze wel door allerlei partijen benaderd worden om mee te werken aan voorlichtingsactiviteiten, maar dat ze er zelf niets voor terug zien. Het is in hun ogen altijd de organisatie die de voorlichting geeft die met de resultaten gaat pronken. Je moet hen daarom zelf verantwoordelijk maken en je als GGD als partner opstellen. Zo kunnen zij zich pro.leren naar hun achterban. Organisaties melden zich nu uit zichzelf bij ons aan als ze voorlichting willen; als GGD heb je ook te weinig tijd om veel aan werving te doen.’ Het blijkt wel een probleem te zijn dat de GGD geen budget heeft om de overhead bij dergelijke bijkomsten te betalen, constateert De Britto. ‘Een ruimte huren kost geld en dat is vaak een probleem voor organisaties die weinig subsidie krijgen.’
Lage drempel Dankzij de inzet van Voorlichters Eigen Taal is de band tussen de diverse doelgroepen en de GGD sterk verbeterd, constateert De Britto. ‘Het is voor hen geen abstracte instelling meer; onze drempel is laag. Soms te laag, want er staan hier wel eens mensen aan de receptie omdat ze mij kennen als “die man van de GGD”. Of ik niet kan helpen bij het krijgen van urgentie voor een woning. Dat doe ik dus niet, maar het is mooi dat mensen steeds vaker zelf contact opnemen om voorlichting aan te vragen. Het geeft een goed gevoel te merken dat we dat gerealiseerd hebben.’
top
|