Jaargang 4, nummer 3 - augustus 2007 Terug naar home
Print versie
Gebrek aan psychoseksuele vaardigheden en een integrale aanpak van seksuele gezondheid in artsenpraktijk


Oud-huisarts en seksuoloog Jan Moors neemt nog steeds geen blad voor de mond

Matthieu klein Tank - freelance journalist

  • In artsenopleiding nog steeds weinig aandacht voor seksualiteit
  • Waarom Pfeiffer geen soa noemen?

Hij is al vijftien jaar met pensioen en een deel van zijn uitgebreide collectie vakliteratuur heeft een andere bestem-ming gevonden. Maar toch is de inmiddels 79-jarige Jan Moors, in de jaren negentig de oprichter van de Stichting ter Bevordering van Seksuologie in de Huisartspraktijk, zijn interesse voor de seksuologie nog niet verloren. En nog steeds kun je bij hem voor onconventionele standpunten terecht.

Luisterend naar de passie waarmee de voor-malige huisarts over zijn vakgebied spreekt, zou je vermoeden dat hij er heel bewust voor heeft gekozen zich in deze materie te verdiepen. Maar nee, hij is er gewoon toevallig ingerold. Moors: ‘Als twintigjarige moest ik in dienst, vanwege de toestand die er toen was in Indonesië zat uitstel er niet in. Ik werd als laborant tewerk gesteld bij een instelling waar soldaten die werden uitgezonden naar Indonesië werden gekeurd en seksuele voorlichting kregen. Omdat er nog niks was heb ik een cursus gemaakt over hoe verpleegkundigen in het veld met geslachtsziekten om moeten gaan.’

pragmatisch De houding tegenover seksualiteit was in het leger, zeker voor die tijd, opmerkelijk pragmatisch. Moors: ‘Men accepteerde dat de mannen vreemd gingen. Voor de Milva’s gold dat overigens niet. Er werd dan wel van de soldaten verwacht dat ze hun verantwoordelijkheid namen: er waren ‘s nachts op alle marineschepen en in kazernes verpleegkundigen beschikbaar waar men zich moest melden na bezoek aan een hoer. Om geslachtsziekte te voorkomen kreeg men daar Protargol, een ontsmettingsmiddel, in de pisbuis gespoten. Overigens hadden we in de Tweede Wereldoorlog de beschikking gekregen over penicilline, een probaat middel om geslachtsziekten te behandelen.’
Voor de in het Rooms-katholieke Limburg opgegroeide Moors was dit allemaal nieuw. ‘Dit kende ik van thuis uit niet. Ik had op het Bisschoppelijk College gezeten; desalniettemin was ik al wel op mijn zestiende van mijn geloof gevallen. Toen ik dat werk bij de marine deed was ik zelf nog maagd. De pragmatische aanpak heeft me wel beïnvloed. Ik heb vanaf het begin geleerd altijd met twee voeten op de grond tegen de gevolgen van seksuele problematiek aan te kijken.’
Na zijn diensttijd behield Moors de interesse in dit vakgebied. Hij ging in Utrecht medicijnen studeren en had als voorzitter van een studentenvereniging voor hervorming van het medisch onderwijs contact met de voorzitter van de Rooms-katholieke artsenvereniging. Die zorgde ervoor dat hij naar congressen kon om zijn kennis op dit terrein verder te verdiepen. Zo ontwikkelde hij zich tot een deskundige op het terrein van geboorteregeling, seksualiteitsproblemen en geslachtsziekten. Vanwege zijn eigenzinnige opvattingen raakte hij als huisarts ook al snel in conflicten verzeild. Moors: ‘Bijvoorbeeld omdat ik mannen hielp die waren vreemd gegaan en bij wie dat gevoelig lag vanwege hun betekenis in het sociale leven. Slinks werd dan ook hun vrouw behandeld, die niet mocht weten waar het precies voor was. Daar waren ook mensen van de kerk bij. Monsieur Bekkers, de bisschop van ‘s-Hertogenbosch, vond het allemaal prachtig. Voor het bisdom Brabant maakte ik ook cursussen over seksuele opvoeding.’

pfeiffer De term soa is bij Moors nooit ingeburgerd. Hij heeft het liever over “geslachtsziekten”. Hij stelt het begrip seksueel overdraagbare aandoeningen zelfs ter discussie. Moors: ‘Want wat is een soa? Dat heeft te maken met de vraag wat seks is. Seks begint met kussen. En door dat te doen kun je bijvoorbeeld de ziekte van Pfeiffer oplopen. Maar dat noemen we geen soa. Waarom eigenlijk niet? Krijgt iemand Pfeiffer, dan is de reactie: nou, pech gehad. Het is niet iets waar je je voor hoeft te schamen. Maar krijg je chlamydia, oei, dan heb je een soa. En dat was vroeger een grote schande, maar nu eigenlijk nog steeds.
Door de connectie met “seksueel overdraagbaar” krijgt een aandoening meteen een ongunstige lading. Er zijn zoveel ziekten waarbij seks een rol kan spelen, dat kan zelfs het geval zijn bij de griep. We hebben dus om nogal onduidelijke redenen een aantal aandoeningen soa genoemd en andere, die net zo erg kunnen zijn, niet. Volgens mij heeft dat historische gronden. We hebben het gewoon overgenomen van bijvoorbeeld Duitsland, dat op het gebied van de seksuologie aanvankelijk toonaangevend was. Goed, dat is nu eenmaal ingesleten en dat kun je niet veranderen. Maar je moet wel die connotatie erkennen. Als je symptomen als soa labelt moet je je realiseren dat dit voor een patiënt en diens omgeving een grotere impact heeft. Met de diagnose “chlamydia” kom je in een ander circuit dan met “roodvonk”’.’

opstijgende infectie? “Chlamydia” staat al lange tijd op één in de “Soa-toptien”. Het is een soa die vooral vanwege het risico van een “opstijgende infectie”, die tot onvruchtbaar-heid kan leiden, als ernstig wordt gezien. Moors heeft echter zo zijn twijfels. ‘Als er een vrouwelijke patiënt komt met een chlamydia-infectie heeft een arts meteen in zijn achterhoofd: let op de opstijgende infectie. Maar waarom zou dat bij mannen minder vaak voorkomen? Volgens mij is er sprake van verhullend taalgebruik, we hebben het over “opstijgende infectie”, terwijl we helemaal niet weten waarom sommige vrouwen ontstoken eileiders krijgen. Heeft dat te ma-ken met de eigen afweer? Ik geloof niet in dat opstijgen en denk dat de bacterie zich gewoon verspreidt via het bloed. Maar iedereen kent de term en daarmee stopt het denken.’

integrale aanpak Dit is Jan Moors ten voeten uit, hij ziet er nooit tegenop om lekker tegen de stroom in te roeien. Moors: ‘Ik heb een reputatie opgebouwd omdat ik dingen deed die veel andere huisartsen, dermatologen, urologen en gynaecologen niet deden. Ik vind dat je bij geslachtsziek-ten een integrale aanpak moet kiezen. Je moet niet alleen kijken naar de veroorzaker van de klacht, maar ook naar hoe iemand eraan komt en hoe hij of zij het beleeft. Wanneer je dat niet doet, schiet je als behandelaar tekort en komt je boodschap, bijvoorbeeld over geboortenbeperking, niet over. Je ontkomt er niet aan om seksualiteit erin te betrekken. Artsen praten daar maar mondjesmaat over. Vaak is het voor hen een probleem om het er met gewone woorden over te hebben. In de opleiding is daar veel te weinig aandacht voor. Raar eigenlijk, want we weten toch allemaal hoe belangrijk het is.’
Artsen die zich in het onderwerp gespecialiseerd hebben, ontwikkelen meestal wel de vaardigheden die nodig zijn om er met patiënten open over te praten. Moors: ‘Maar mensen komen met hun soa-klachten ook op de poli, in het weekend of bij een avonddienst. En dan ontmoeten ze een arts die eigenlijk vooral in bijvoorbeeld kanker gespecialiseerd is. Die denkt: “Welke beerput trek ik open als ik het onderwerp seksualiteit aansnijd?”. Meestal hoeft een arts daar echter helemaal niet bang voor te zijn, want als iemand ongeschikt is om er over te praten voelt een patiënt, vooral een patiënte, dat heel goed aan en komt hij of zij helemaal niet met het verhaal. En het is natuurlijk ook een probleem dat zo’n gesprek in het begin meer tijd kost dan alleen het stellen van een diagnose. Maar wanneer je iemand krijgt met een druiper, kun je dat goed in twee keer een kwartier afhandelen.’

Aanvankelijk vond de boodschap, die Moors samen met een klein groepje bracht via de Stichting ter Bevordering van Seksuologie in de Huisartspraktijk, zeker weerklank. Moors. ‘We schatten dat meer dan vijftig procent van de huisartsen op de een of andere manier kennis nam van ons doel: “de huisarts dient seksuele problemen van zij/haar patiënten te onderkennen, ook als ze verdekt worden gebracht”. Op een gegeven moment trokken meer dan veertig door ons gecoachte instructeurs door het land en een deel van Vlaanderen. Later is dat succes een beetje verwaterd. Bovendien ontstond er een beweging in de huisartsenwereld die vond dat psychologische, seksuele en sociale hulp niet tot de corebusiness van de huisarts hoort. Het zou interessant zijn eens na te gaan op hoeveel universiteiten en hoge-scholen nog aparte cursussen seksuologie worden gegeven. Zelf blijf ik van mening dat alle artsen, en zeker huisartsen, gynaecologen, urologen en dermatologen, in hun opleidingen moeten leren omgaan met allerlei gevoelens, waaronder zeker ook: erotiek en agressie. Dat moet gaan om praktische aan-dacht. Dus niet alleen in een paar colleges lullen over het een of ander, maar met elkaar actief oefenen.’


top


zoeken
  Zoeken
SOAIDS Magazine
Nummer 4 december 2008
Nummer 3 oktober 2008
Nummer 2 juni 2008
Nummer 1 april 2008
Nummer 5 december 2007
Nummer 4 oktober 2007
Nummer 3 augustus 2007
Nummer 2 mei 2007
Nummer 1 maart 2007
Nummer 5 december 2006
Nummer 4 november 2006
Nummer 3 september 2006
Nummer 2 juni 2006
Nummer 1 april 2006
Nummer 5 december 2005
Nummer 4 november 2005
Nummer 3 september 2005
Nummer 2 juni 2005
Nummer 1 maart 2005
Nummer 3 december 2004
inhoudsopgave
Een hiv-test bij een verstuikte enkel? - Jan van Bergen
   
Thuistesten op hiv en soa - Paul Peerbooms
   
OraQuick®Advance™, een nieuwe hiv-sneltest…? - S. van Loon, W. Koevoets
   
Serie soa: Gonorroe - F. Jongen, P. van Voorst Vader
   
Toename ciprofloxacine-resistentie
   
Nieuwe soa-richtlijn NVDV - J. van Bergen, E. van Leent
   
Trend in Chlamydia trachomatis - I. de Boer e.a.
   
Boekbespreking: Vulvapathologie
   
Soa en internet: gebruik en misbruik
   
Dwangmatige seks en grotere kansen op soa - Peter Leusink
   
Gebrek aan psychoseksuele vaardigheden in artsenpraktijk: interview met Jan Moors - Matthieu klein Tank
   
Aidsbeleid op de Antillen; een interview met Hans Moerkerk - Matthieu klein Tank