Geen penitentie maar preventie
Ronald A.M. Brands, Beleidsmedewerker juridische maatschappelijke aspecten, Soa Aids Nederland
Er zijn nieuwe ontwikkelingen te melden over de vervolging van mensen met hiv voor onveilig vrijen zonder het vooraf melden dat men seropositief is. In Nederland heeft een uitspraak van de Hoge Raad grote gevolgen voor het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie. In Europa is een onderzoek verricht naar het vervolgbeleid in de lidstaten. Daarom volgt hier een update.
Vervolgingsbeleid Openbaar Ministerie In de afgelopen jaren heeft het Openbaar Ministerie (OM) verschillende malen vervolging ingesteld tegen mensen met hiv omdat zij onbeschermd seksueel contact hadden. Opvallend aan de meeste gevallen is dat er sprake was van wederzijds overeengekomen onveilig vrijen en dat er geen sprake was van daadwerkelijke overdracht van hiv. Dit beleid heeft inmiddels geleid tot enkele veroordelingen (aantal en waartoe). De grond voor de veroordeling was in het begin ‘ poging tot doodslag’ en is later aangepast in ‘zware mishandeling’ (klopt dit). In juni 2003 hebben het Aids Fonds, Hiv Vereniging Nederland, Stichting soabestrijding, Schorerstichting en de Nederlandse Vereniging van AidsBehandelaren hun zorgen geuit over deze ontwikkelingen. Zij zijn van mening dat het probleem van onveilig vrijen door mensen met hiv niet alleen in juridisch perspectief moet worden geplaatst. Daarom is door het aids Fonds de bijzondere Bestuurscommissie Aidsbeleid & Strafrecht ingesteld om in 2004 het Aids Fonds en Soa Aids Nederland te adviseren vanuit maatschappelijk, juridisch, ethisch, medisch en preventie-perspectief.
Advies: zet strafrecht niet in Deze commissie is in maart 2004 tot de conclusie gekomen in het Rapport 'Penitentie of preventie?'1 dat in geval van seksueel contact het een verantwoordelijkheid is van de beide betrokken mensen om zich te beschermen. Moreel gezien behoren mensen met een hiv-infectie veilig te vrijen. Dit geldt ook voor mensen die een risico op een hiv-infectie hebben gelopen en die zich niet hebben laten testen. De commissie vindt echter dat strafrecht hierbij alleen ingezet moet worden als er sprake is van machtsongelijkheid, dwang of misleiding. In andere gevallen heeft het gebruik van strafrecht maatschappelijk namelijk meer nadelen dan voordelen. Mensen zullen zich namelijk minder snel laten testen, terwijl dit maatschap-pelijk gezien wel wenselijk is. De commissie deelt hiermee de opvatting van UNAIDS dat het gebruik van strafrecht contraproductief is in de bestrijding van aids. UNAIDS heeft namelijk in 2002 een rapport2 geschreven, waarin zij een uiterste terughoudendheid adviseert aan overheden om strafrecht te gebruiken in hiv-gerelateerde kwesties. Dit om ongerechtvaardige inbreuk op de mensenrechten van mensen met hiv te voorkomen. Alsmede om te voorkomen dat het volksgezondheidsbeleid in het licht van preventiemaatregelingen en de toegang tot zorg, behandeling en ondersteuning van mensen met hiv onterecht wordt ondermijnd.
Een opvallende uitspraak De Hoge Raad heeft op 18 januari 2005 uitspraak3 gedaan in de zaak waarbij de verdachte door het Gerechtshof in Arnhem in 2003 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en drie maanden wegens poging tot zware mishandeling doordat hij onbeschermd seksueel contact heeft gehad met een minderjarige jongen, terwijl de verdacht wist dat hij hiv-positief was. De vraag in deze zaak was of seksueel contact door een met hiv-geinfecteerde verdachte een poging tot zware mishandeling opleverde. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het aangaan van onbeschermde seksuele contacten door iemand met hiv naar ervaringsregels een risico inhoudt, maar dat er geen aanmerkelijke kans op infectie is. De Hoge Raad oordeelt dat er niet zonder meer sprake is van opzet, tenzij er bijzonder risicoverhogende omstandigheden zijn. Doch daaromtrent heeft het Arnhemse Hof in deze zaak niets vastgesteld noch in de bewijsmiddelen, noch in de bewijsoverwegingen. Bij gewoon seksueel verkeer is dit een bijna onmogelijke bewijspositie voor het OM. De Hoge Raad vindt verder de norm (in casu zware mishandeling ) te vaag. De wetgever moet beoordelen of een specifieke strafrechtelijke norm moet worden geformuleerd. De Hoge Raad geeft aan dat dit een afweging vergt van alle relevante factoren, waaronder algemene volksgezondheidsbelangen. Deze recente uitspraak van de Hoge Raad heeft naar verwachting een grote invloed op enkele lopende zaken en op het vervolgingsbeleid van het OM.
Hoe verder? Het vervolgingsbeleid van het ministerie van Justitie stond de afgelopen jaren haaks op het volksgezondheidbeleid van het ministerie van VWS. Dat gaat uit van de verantwoordelijkheid van de burger voor het beschermen van de eigen gezondheid, daar waar dat goed mogelijk is. Dit is zeker het geval bij hiv, dat voorkomen kan worden door niet onveilig te vrijen. In het najaar van 2004 is er een gesprek geweest over het rapport “Penitentie of Preventie? tussen VWS, Justitie, Soa Aids Nederland en Hiv Vereniging Nederland. Er is uitgesproken dat men bij voorkeur in gezamenlijkheid het thema verder zou willen oppakken. Het idee was dan ook om de thematiek nader te agenderen bij de Officieren van Justitie, cq specifiek onder de aandacht te brengen van OM-commissie zeden. Er ligt een uitnodiging van deze commissie aan het Aids Fonds en de Hiv Vereniging voor een gesprek. De uitspraak van de Hoge Raad zal dit gesprek zeker in een andere context plaatsen. Daarnaast is het goed om te melden dat er hard wordt gewerkt aan een betere ondersteuning van de seksuele gezondheid van mensen met hiv, met inbegrip van veilig vrijen. Zo onder-zoekt de Universiteit van Maastricht op dit moment een ondersteuningsinterventie voor homomannen met hiv. Het Aids Fonds heeft een project gefinancierd dat aidsconsulenten helpt beter met problemen op dit gebied om te gaan. De Hiv Vereniging Nederland tenslotte organiseert dit jaar een aantal debatten met de eigen leden over het hanteren van verantwoordelijkheid in het seksuele leven van mensen met hiv.
Vervolgingsbeleid in Europa In het voorjaar van 2004 heeft UNAIDS een onderzoek4 laten uitvoeren onder de 45 landen welke het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens hebben ondertekend. Opdracht was om inzicht te krijgen in de vervolging en veroordeling van mensen met hiv voor het hebben van onveilige seks. Het onderzoek is uitgevoerd door de Terrence Higgings Trust in samenwerking met GNP+ (Europe), de Europese afdeling van het wereldwijde netwerk voor mensen met hiv. Van de 45 beoogde landen hebben er 41 deelgenomen aan het onderzoek. In tenminste 36 landen kan overdracht van hiv een strafbaar feit betekenen. Van deze 36 landen hebben 14 landen wetgeving welke speciaal geldt voor de overdracht van hiv dan wel van andere soa en 15 landen hebben wetgeving waarbij ook het blootstellen aan hiv met het risico tot overdracht van hiv strafbaar is gesteld. In de strafmaat is in de deelnemende landen een groot onderscheid te signaleren en deze varieert van geldboetes en taakstraffen tot een paar jaar cel of tot levenslang. Verder blijkt dat asielzoekers vaak na hun straf worden uitgewezen. In 21 landen zijn de afgelopen jaren ten minste 130 mensen veroordeeld voor de overdracht van hiv of het blootstellen aan hiv. De meeste veroordelingen betroffen mannen, ging het om heteroseksuele seks en ging het om mannen met een kwetsbare maatschappelijke en economische positie. Qua aantal vervolgingen neemt Nederland in dit rapport helaas een weinig respectabele positie in de middenmoot in. Uit de cijfers van het onderzoek kwam verder naar voren dat in 90% van de vervolgingen het ging om vrijwillig seksueel contact. De media bleek in de meeste gevallen een negatieve rol hebben gespeeld in de berichtgeving en beeldvorming van de mensen die werden vervolgd. Verdachten werden neergezet als een bedreiging voor de bevolking en samenleving en berichtgeving leidde tot het marginaliseren van migrantengroepen. Verder had deze negatieve beeldvorming een grote impact op de verdere stigmatisering en discriminatie van mensen met hiv dan wel op het voeden van homofobe gevoelens.
Europese actie In het najaar van 2004 heeft in Amsterdam voor het eerst een expert meeting plaatsgevonden rondom het thema van criminalisering van hiv. Aanwezig waren met name West- en Noord-Europese landen. Het bespreken van de resultaten van het recente onderzoek van UNAIDS stonden hierbij centraal. Verder stond hoog op de agenda op welke wijze samenwerking in Europa op dit thema zou kunnen plaatsvinden. Er bleek behoefte te bestaan aan het verzamelen van wetenschappelijk bewijs te gebruiken in toekomstige zaken, maar welke ook als input zou kunnen fungeren voor verdere Europese acties. De wens is uitgesproken om een Europese werkgroep op te richten die deze punten gaat onderzoeken. Door een goede afstemming van de betrokken nationale organisaties kunnen snel nadere stappen worden gezet mede op het gebied van wetenschappelijk onderzoek, belangenbehartiging en lobby en dan niet alleen op de nationale agenda, maar ook op de agenda’s in europees perspectief en in VN verband. De recente uitspraak van de Hoge Raad in Nederland is uniek in Europees perspectief. Daarmee zal Nederland een gehele andere positie in Europa innemen en kan zij in de visie-ontwikkeling rondom het niet-vervolgingsbeleid een belangrijke rol spelen.
Literatuur
- 'Penitentie of preventie?', Over de gevolgen van de toepassing van het strafrecht voor de volksgezondheid en de positie van mensen met hiv, Advies Bestuurscommmissie Aidsbeleid & Strafrecht, Soa Aids Nederland, 16 maart 2004
- Criminal Law, Public Health and HIV Transmission: A Policy Options Paper, UNAIDS 2002
- Uitspraak Hoge Raad, 18 januari 2005, www.hogeraad.nl en www.rechtspraak.nl
- Draft Report Laws, Sex and Stereotypes, A rapid scan of the laws and rates of prosecution for HIV transmission within signatory States of the European Convention of Human Rights, UNAIDS 2004
top
|
| zoeken |
|
|
| SOAIDS Magazine |
|
|
| inhoudsopgave |
|
|
|