Referaat: Invloed van HAART op seksueel risicogedrag
Referaat door: John B.F. de Wit, Capaciteitsgroep Sociale en Organisatie Psychologie, Universiteit Utrecht en Institute for Psycho Social Research, Utrecht Crepaz N, Hart TA, Marks G. Highly active antiretroviral therapy and sexual risk behavior. A Meta-analytic review. JAMA 2004; 292: 224-36.
De introductie van combinatietherapie tegen hiv-infectie in 1996 betekende een ware doorbraak in de behandeling van mensen met hiv en aids. Mogelijke negatieve consequenties echter zijn dat de waargenomen ernst van hiv-infectie zou kunnen afnemen en dat het idee zou kunnen ontstaan dat gebruik van HAART de kans op overdracht van hiv verkleint. De redenering is dat mensen hierdoor veilig vrijen minder noodzakelijk gaan vinden, wat kan resulteren in meer nieuwe infecties. Vanaf het eind van de jaren 90 is een stroom onderzoek op gang gekomen naar de vermeende consequenties van HAART. In hun recent artikel presenteren Nicole Crepaz en collega’s van het CDC meta-analyses van drie typen studies. In een eerste meta-analyse vonden Crepaz en collega’s geen significant effect van het gebruik van HAART op risicogedrag van mensen met hiv. Een tweede meta-analyse betrof de invloed van het hebben van een ondetecteerbare viral load op risicogedrag, een effect dat eveneens niet significant bleek. De auteurs vonden wel een significant effect in een derde meta-analyse die betrekking had op de invloed van HAART-gerelateerde opvattingen op risicogedrag. Onder zowel hiv-postieven, hiv-negatieven als personen die hun serostatus niet kenden, bleek dat risicogedrag significant hoger was onder mensen die de opvatting onderschreven dat HAART de kans op transmissie van hiv vermindert en/of die minder bezorgd waren over onveilige seks (OR=1.82, 95% CI 1.52-2.17). Conclusies omtrent de invloed van HAART op seksueel risicogedrag zijn moeilijk te trekken uit de beschikbare literatuur door de grote verschillen tussen individuele studies. Ook bij het gedegen onderzoek van Crepaz en collega’s zijn een aantal kanttekeningen te plaatsen. Zo beperken zij zich (noodgedwongen) in de typen onderzoeken die zij in hun analyses (kunnen) opnemen en geven zij geen overzicht van trends in gedrag en epidemiologie voor en na de introductie van HAART. Hierdoor is met name het onderzoek onder hiv-negatieven en mensen met onbekende serostatus slechts in beperkte mate geanalyseerd. Ook is het aantal studies in alle meta-analyses relatief klein, en zijn de studies naar het effect van het gebruik van HAART divers in opzet, deelnemers en bevindingen. Aanvullende niet-significante bevindingen suggereren dat een mogelijk negatief effect van het gebruik van HAART op risicogedrag zich alleen voordoet onder homo- en biseksuele mannen. Door het kleine aantal steekproeven (k=8) is de power van deze analyse helaas echter (te) beperkt. De onderzoeken naar de invloed van HAART-gerelateerde opvattingen op risicogedrag die zijn opgenomen in de meta-analyses zijn alle cross-sectioneel van aard. De auteurs merken dan ook terecht op dat hierdoor onduidelijk blijft wat de causale relatie tussen opvattingen en gedrag is. Een recente Nederlandse studie, die niet is opgenomen in de meta-analyse, laat echter zien dat een verminderde dreiging van HAART onder homoseksuele mannen prospectief een verandering naar risicogedrag kan voorspellen (1). De meta-analyses van Crepaz en collega’s zijn van belang omdat zij als eerste een kwantitatieve integratie van bevindingen presenteren. Er blijft op dit terrein echter nog veel werk te doen voordat eenduidige conclusies te trekken zijn.
- Stolte IG, Dukers NH, Geskus RB, Coutinho RA, de Wit JBF. Homosexual men change to risky sex when perceiving less threat of HIV/AIDS since availability of highly active antiretroviral therapy: a longitudinal study. AIDS 2004; 18: 303-9.
top
|