Epidemiologie van hiv/aids en soa in 2003
Marita van de Laar, projectleider soa, hiv, hepatitis, RIVM-CIE
Eline Op de Coul, onderzoeker hiv, RIVM-CIE
Soa 2000-2003

Trend in het absoluut aantal gevallen van soa in 2000-2003 (gonorroe, chlamydia, syfilis en hiv). Cijfers van 2000-2002 zijn afkomstig van de soa-registratie plus de soa-polikliniek Amsterdam. De cijfers van 2003 zijn afkomstig van het SOA peilstation.
De laatste jaren was sprake van een sterke toename van het aantal soa in Nederland. Volgens de surveillancegegevens lijkt deze groei in 2003 niet door te zetten, met uitzondering van syfilis (stijging van 10%) en de virale soa (uitgezonderd hiv-infectie). Het aantal gevallen van chlamydia is gelijk gebleven gestegen, bij gonorroe en hiv-infectie is sprake van een daling. Dit blijkt uit het rapport HIV and Sexually Transmitted Infections in the Netherlands in 2003; an update November 2004 , waarin de meest actuele gegevens over hiv/aids en soa zijn beschreven. Hier volgt een samenvatting van de meest opmerkelijke resultaten.
Nieuwe surveillance van hiv/aids en soa In de afgelopen jaren
is de surveillance van hiv en soa in Nederland veranderd. Het Ministerie van VWS
heeft het RIVM verzocht de nieuwe surveillance in te voeren op geleide van de
adviezen over hiv- en soa-surveillance. ’ In 2002 is gestart met de nieuwe
hiv-registratie, waarbij de Stichting HIV Monitoring (SHM) gegevens verzamelt
van alle nieuwe hiv-patiënten die de 22 erkende hiv/aidsbehandelcentra consulteren.
Ook zijn in 2002 hiv-surveys gestart onder hoogrisicogroepen. In 2003 is het SOA
peilstation ingevoerd, dat bestaat uit vijf drempelvrije poliklinieken (Amsterdam,
Den Haag (2), Rotterdam, Utrecht) en negen GGD-en verspreid in het land. Het Peilstation
registreert alle nieuwe consulten ten behoeve van een soa-hulpvraag en hiv-testverzoek.
Een trendvergelijking is niet goed mogelijk doordat het surveillancesysteem is
veranderd. Voor een volledig overzicht van surveillance activiteiten: www.soahiv.nl
Hiv/aids In augustus 2004 waren in totaal 9.767 personen (77%
mannen en 23% vrouwen) met hiv geregistreerd. Eind 2003 waren er naar schatting
in Nederland 16.400 hiv-geïnfecteerden. De homo/biseksuele mannen met hiv
vormden de grootste groep, al daalde hun aandeel de laatste jaren Het percentage
heteroseksueel geïnfecteerden is in de laatste jaren toegenomen, maar lijkt
zich in 2003 te stabiliseren. Van de 847 personen bij wie in 2003 hiv is vastgesteld,
is 44% door homo/biseksueel contact en 44% door heteroseksueel contact geïnfecteerd.
De groep injecterende druggebruikers is klein (2%). Het merendeel van de niet-Nederlandse
heteroseksuelen is in het buitenland geïnfecteerd: in Afrika ten zuiden
van de Sahara en in mindere mate in Latijns-Amerika en het Caribische gebied.
In Nederland is de hiv-prevalentie bij verschillende bevolkingsgroepen onderzocht:
de hoogste hiv-prevalentie werd gezien bij homo/biseksuele mannen (variërend
van 0-22%) en injecterende druggebruikers (0-26%); de hiv-prevalentie onder
heteroseksuelen varieerde van 0 tot 1,4%.
De landelijke screening van hiv bij zwangere vrouwen is in 2004 ingevoerd. De
hiv-prevalentie was 0,06% in de eerste helft van 2004.
Aids In augustus 2004 waren in totaal 6.331 personen met aids
in Nederland geregistreerd. Het jaarlijkse aantal nieuwe diagnoses van aids
schommelt tussen de 230 en 280; in 2003: 234. Tot nu toe zijn ruim 4.000 personen
overleden ten gevolge van aids; in 2003 waren dat er 87.
Seksueel overdraagbare aandoeningen In 2003 zijn ruim 42.500
consulten geregistreerd, 8% meer dan in 2002. Hiervan zijn ruim 19.000 consulten
(45%) gemeld door de soa-polikliniek in Amsterdam. Bezoekers zijn betrekkelijk
jong (35% jonger dan 25 jaar), driekwart is van Nederlandse afkomst, 7% van
Surinaamse en Antilliaanse afkomst, 3% Turks of Noord-Afrikaans en 5% Oost-Europees
of Afrikaans. Van de mannen heeft 30% seks met mannen (MSM).
De toename van soa, die de afgelopen jaren werd waargenomen, lijkt in 2003 enigszins
gestabiliseerd te zijn. Het aantal gevallen van chlamydia is gelijk gebleven
en gonorroe daalde met 16%. Echter, het aantal gevallen van syfilis en virale
soa (uitgezonderd hiv-infectie) nam in 2003 nog steeds toe.
Gonorroe en chlamydia Mannen en vrouwen jonger dan 25 jaar
lopen het grootste risico van chlamydia of gonorroe. Tweederde van alle vrouwen
met gonorroe of chlamydia is jonger dan 25 jaar. Bij mannen is het percentage
jongeren minder hoog (gonorroe 21% en chlamydia 30%). Gonorroe wordt, in vergelijking
met chlamydia, vaker gerapporteerd in stedelijke gebieden, bij MSM en bij personen
met een soa-voorgeschiedenis. Etnische minderheden (waaronder personen afkomstig
uit Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba) lopen relatief meer risico op
het verwerven van chlamydia of gonorroe.
Resistente gonokokken In 2003 bleek, uit een onderzoek bij
medisch-microbiologische laboratoria, de resistentie van gonokokken tegen ciprofloxacine
(zie ook elders in dit magazine, redactie) toegenomen tot 9%. In Amsterdam wordt
deze resistentie, voor het eerst, vaker gezien bij homo- en biseksuele mannen
dan bij heteroseksuelen. Deze verandering in epidemiologie is ook gevonden in
Engeland en de Verenigde Staten. ,
Syfilis In 2003 steeg het aantal gevallen van syfilis met
10%; dat is lager dan de stijging van 78% die in 2002 werd gevonden. Bij homo-
of biseksuele mannen is het aantal gevallen van syfilis met 16% gestegen, bij
vrouwen daarentegen is sprake van een afname. Van de mannen met syfilis is 68%
(MSM: 87%) afkomstig uit Nederland, van de vrouwen slechts 51%. De meeste gevallen
van syfilis (87%) werden gevonden bij homo/biseksuele mannen. Tussen 2000 en
2003 is het aantal gevallen van syfilis bij mannen met 208% toegenomen. Deze
toename werd gekenmerkt door enkele epidemieën zoals die in Amsterdam (50%
van de gevallen) en in de rest van het land, Rotterdam , Den Haag, Utrecht,
Groningen en Twente.
Virale soa In 2003 zijn de virale soa (hiv-infectie uitgezonderd)
verder toegenomen. De incidentie van acute hepatitis-B in de aangifte was alleen
toegenomen bij mannen, alhoewel het aandeel van homo/biseksuele mannen enigszins
afgenomen was. Onbeschermd seksueel contact blijft de belangrijkste risicofactor
voor hepatitis-B. Genitale wratten waren de meest gediagnosticeerde virale soa
bij het SOA peilstation.
LGV De epidemie van Lymphogranuloma venereum (LGV) in Nederland
werd het eerst gezien in Rotterdam, maar later werden ook gevallen retrospectief
gerapporteerd uit andere delen van het land. LGV wordt veroorzaakt door infectie
met Chlamydia trachomatis serotypen L1-3. In het vorige nummer van het Soa Aids
Magazine is hierover uitgebreider bericht. In dit nummer wordt de diagnostiek
en behandeling beschreven, redactie. Op 1 september 2004 waren 92 gevallen gerapporteerd;
het aantal gevallen lijkt nog steeds langzaam toe te nemen. Het klinisch beeld
is soms moeilijk herkenbaar waardoor de diagnose kan worden gemist. Het werkelijke
aantal gevallen van LGV zal vermoedelijk hoger liggen dan het hier gerapporteerde
aantal. Het merendeel van de homo/biseksuele mannen met LGV blijkt ook met hiv
geïnfecteerd te zijn. Ook in België, Duitsland, Frankrijk en Zweden
is nu melding gemaakt van LGV.
Hiv In het SOA peilstation zijn ruim 19.000 hiv-testen gedaan,
een toename van 9% ten opzichte van 2002. In 2003 waren 143 personen hiv-positief,
dat is 0,8% (0,3% van de heteroseksuele mannen en vrouwen en 3,3% van de geteste
MSM). Het aantal nieuwe hiv-geïnfecteerden is met ongeveer 25% afgenomen
en hiervoor kan geen duidelijke verklaring worden gevonden, behalve mogelijke
onderrapportage. Het grootste deel van de nieuw gediagnosticeerde mannen met
hiv is homo- of biseksueel. Van alle mannelijke hiv-geïnfecteerden is 53%
van Nederlandse afkomst; bij de vrouwen is dit 22%. Van de hiv-positieven (n=32)
was 22% niet eerder op hiv getest; 48% (n=68) rapporteerde een eerdere negatieve
testuitslag.
Gelijktijdig soa en hiv In 2003 werd voor het eerst bij een
consultatie geregistreerd of er eerder een hiv-test was gedaan en of de uitslag
daarvan bekend was. Van alle bezoekers in het SOA Peilstation bleek 2% bekend
hiv-positief te zijn (n=829, waarvan 764 MSM). Het werkelijke aantal zal waarschijnlijk
hoger liggen door onderrapportage (onbekend bij 31%; niet getest op hiv 35%).
Bij 42% van hen werd een soa vastgesteld, bij 12% meer dan één
soa-diagnose. Gonorroe, chlamydia en syfilis waren de meest voorkomende diagnoses.
Bekend hiv-positieven nemen een belangrijk deel van de soa voor hun rekening:
20% van alle gevallen van gonorroe, chlamydia en syfilis bij MSM werd gezien
bij bekend hiv -positieve MSM. In 84%, respectievelijk 57% van de gevallen van
chlamydia en gonorroe betrof dit een anorectale infectie. Dit impliceert dat
onbeschermd anaal seksueel contact veel voorkomt, zoals ook is vastgesteld in
de Monitor van homo/biseksuele mannen. Hieruit bleek dat in 2003 onveilig seksueel
gedrag vaker werd gerapporteerd dan in de eerste Monitor in 2000.
Vanuit het oogpunt van de volksgezondheid is de groep MSM van belang, omdat
op dit moment verschillende epidemieën van soa (syfilis, LGV, resistente
gonorroe en hiv-infectie) tegelijkertijd voorkomen in deze groep. Het is een
zorgelijke ontwikkeling omdat door het ulcererende karakter van sommige soa
de overdracht van hiv wordt vergemakkelijkt.
Continue alertheid en innovatieve methoden bij preventie, interventie en zorg
zijn nodig om verdere verspreiding van soa en hiv te voorkomen.
DANKWOORD: Het rapport is samengesteld door de projectgroep
soa en hiv van het RIVM met bijdragen van Liesbeth van der Eerden, Femke Koedijk,
Marja Molag en Marion de Boer. We danken collega’s van de Stichting HIV
Monitoring (Frank de Wolf, Irene van Valkengoed, Ard van Sighem, Luuk Gras)
en van het SOA Peilstation (Ton Coenen en Han Fennema) voor hun bijdrage aan
en commentaar op het rapport.
Tabel: hiv-geïnfecteerden, naar diagnosejaar en transmissiegroep
| |
<1997 |
1998 |
1999 |
2000 |
2001 |
2002 |
2003 |
2004* |
| Homo/biseksueel contact |
2738 (60%) |
307 (52%) |
304 (50%) |
322 (45%) |
386 (46%) |
416 (46%) |
374 (44%) |
131 (46%) |
| Heteroseksueel contact |
985 (22%) |
217 (37%) |
228 (37%) |
338 (47%) |
372 (44%) |
394 (44%) |
373 (44%) |
119 (42%) |
| Injecterend druggebruiker |
434 (9%) |
14 (2%) |
17 (3%) |
12 (2%) |
15 (2%) |
11 (1%) |
16 (2%) |
2 (0,7%) |
| Bloed (producten) |
90 (2%) |
7 (1%) |
3 (0,5%) |
3 (0,4%) |
9 (1%) |
8 (0,9%) |
7 (0,8%) |
0 (0%) |
| Moeder-kindtransmissie |
16 (0,4%) |
4 (1%) |
3 (0,5%) |
3 (0,4%) |
0 (0%) |
0 (0%) |
0 (0%) |
0 (0%) |
| Prikaccident |
7 (0,2%) |
2 (0,3%) |
3 (0,5%) |
3 (0,4%) |
1 (0,1%) |
5 (0,6%) |
2 (0,2%) |
0 (0%) |
| Ander/ onbekend |
307 (7%) |
39 (7%) |
53 (7%) |
42 (6%) |
65 (8%) |
64 (7%) |
75 (9%) |
30 (11%) |
| Totaal |
4577 |
590 |
611 |
723 |
848 |
898 |
847 |
282 |
* data tot 1 augustus 2004
Referenties:
- Laar MJW van de, Op de Coul ELM (Eds). HIV and sexually transmitted infections in the Netherlands in 2003. An update November 2004. RIVM report 441100020. Bilthoven: RIVM, 2004.
- Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGP) HIV-commissie. Advies 'HIV-surveillance in Nederland'. Den Haag: RGO; 2001.
- Rijlaarsdam J, Bosman A, Laar MJW van de. SOA-surveillance in Nederland. RIVM rapport 441500010. Bilthoven: RIVM, 2000.
- Loo IM van, Spaargaren J, Laar van de MJW. Resistente gonokokken in Nederland. (in bewerking)
- Kolader M, Peerbooms PGH, Voorst Vader PC van, Bergen JEAM van, Fennema JSA, Vries HJC de. Toename van chinoloneresistentie bij Neisseria gonorrhoeae in Amsterdam; aanbevelingen voor de behandeling van ongecompliceerde gonorroe. Ned Tijdschr Geneeskd 2004; 148; 43: 2129-32.
- Rudd E, Fenton K, Ison C. Ciprofloxacin resistant gonorrhoea in England and Wales - a changing epidemiology?. Eurosurveillance weekly 2004; 8; 33. 040812.
- CDC. Increases in fluorquinolone-resistant Neisseria gonorrhoeae among men who have sex with men --- United States, 2003, and revised recommendations for gonorrhea treatment, 2004. MMWR 2004; 53; 16: 335-38.
- Fennema JSA, Cairo I, Spaargaren J, Dukers NHTM, Coutinho RA. Syfilisepidemie en stijging van het aantal HIV-infecties onder homoseksuele mannen op de Amsterdamse soa-polikliniek. Ned Tijdschr Geneeskd 2002; 146; 13: 633-35.
- Laar MJW van de, Veen MG van, Götz H, Nuradini B, van der Meijden WI, Thio B. Continued transmission of syphilis in Rotterdam, the Netherlands. Eurosurveillance Weekly 2003; 7: 39. http://www.eurosurveillance.org/ew/2003/030925.asp#5
- Koedijk FDH, Op de Coul ELM, Laar MJW van de. Aangifte acute hepatitis B in 2003. Infectieziekten Bulletin, 2005; (in press)
- Laar MJW van de, Götz HM, Fennema JSA, Vries HJC de, Ossewaarde JM, Spaargaren J, Meijden WI van der. Epidemie van zeldzame SOA onder homoseksuele mannen: gevolgen voor de volksgezondheid. Soa Aids Magazine 2004; 1: 6-7.
- Laar MJW van de, Götz HM, Zwart O de, et al.. Lymphogranuloma Venereum Among Men have Sex with Men -- The Netherlands; 2003-2004. Morbidity Mortality Weekly Report 2004; 53; 42: 985-88.
- Hospers HJ, Dorfler T
top
|
| zoeken |
|
|
| SOAIDS Magazine |
|
|
| inhoudsopgave |
|
|
|