Jongeren en hun seksuele zelfbeeld - implicaties voor seksuele gezondheidsbevordering
Linda Breeman - Disciplinegroep Sociale en Organisatiepsychologie, Universiteit Utrecht John de Wit - Disciplinegroep Sociale en Organisatiepsychologie, Universiteit Utrecht Liesbeth Woertman - Disciplinegroep Klinische en Gezondheidspsychologie, Universiteit Utrecht
Er is behoefte aan effectief gebleken interventies die aansluiten bij de wijze waarop jongeren zelf hun seksualiteit beleven. Als bijdrage aan de ontwikkeling van vernieuwde seksuele gezondheidsbevordering die aansluit bij hun beleving is de Universiteit Utrecht, samen met partners uit het veld, in september 2004 in stilte gestart met een groot onderzoeksproject rondom het seksuele zelfbeeld van jongeren. In dit artikel doen de onderzoekers kort verslag van hun bevindingen en gaan zij in op de aanknopingspunten die het onderzoek heeft opgeleverd voor effectieve voorlichtingsboodschappen om veilig vrijen onder jongeren te stimuleren.
Aanleiding en opzet project Vanaf de jaren ‘90 is het aantal abortussen en tienerzwangerschappen in Nederland fors toegenomen. Onderzoek wijst uit dat allochtone (jonge) vrouwen en tienermeisjes de belangrijkste risicogroepen zijn voor abortus en dat iets minder dan de helft van alle tienermoeders allochtoon is. Niet alleen het aantal abortussen en tienerzwangerschappen stijgt, ook het aantal gevallen van soa neemt al enkele jaren toe. Jongeren zijn een belangrijke risicogroep voor soa, maar ook allochtonen lopen relatief veel risico, meer dan autochtone Nederlanders. Bekend is dat allochtone jongeren anticonceptie vaak niet of niet adequaat gebruiken.1-3 Preventieve interventies zijn effectief als zij, gebaseerd op theoretische uitgangspunten, relevante gedragsdeterminanten beïnvloeden op een manier die zowel naar inhoud als vorm aansluit bij de doelgroep.4 De seksualiteitsbeleving van jongeren is afhankelijk van hun seksuele ontwikkeling, maar ook van hun gender en culturele achtergrond, en al deze factoren komen tot uiting in het seksuele zelfbeeld. In de psychologie gaat het er daarbij om hoe mensen zichzelf op een bepaald moment in hun leven ‘zien’. Ze kunnen ideeën hebben over zichzelf op verschillende vlakken (bijv. uiterlijk, karakter, competenties) en in verschillende situaties en relaties (bijv. als professional, als partner, als gast in een restaurant). Eigenlijk is dan ook sprake van een veelheid van zelfbeelden of identiteiten die mensen ontwikkelen op basis van ervaringen die zij in de loop van hun leven opdoen. Het seksuele zelfbeeld omvat de aspecten die iemand beschrijvend vindt voor zichzelf als het gaat om seksualiteit.5 Zo kunnen mensen zichzelf, bijvoorbeeld, zien als romantisch, of juist meer als ‘player’. Het seksuele zelfbeeld is, net als andere zelfbeelden, vooral van belang omdat dit toekomstig seksueel gedrag stuurt. Zo zal iemand die zichzelf ziet als romantisch wellicht minder snel een ‘one-night stand’ hebben dan iemand die zichzelf ziet als ‘player’. Niet alleen de inhoud van het seksuele zelfbeeld is echter van invloed op gedrag, ook de sterkte ervan speelt een rol (zie kader). Sterkte verwijst naar de mate waarin mensen bepaalde kenmerken beschrijvend vinden voor zichzelf en naarmate dit meer het geval is zullen zelfbeelden sterker van invloed zijn op gedrag. Zo zal iemand die zichzelf in sterke mate ziet als ‘player’ eerder een ‘one-night stand’ hebben dan iemand die zichzelf slechts een beetje ziet als ‘player’. Het seksuele zelfbeeld wordt sterker als mensen meer ervaring hebben en over het algemeen zullen jongeren dan ook een minder sterk seksueel zelfbeeld hebben dan ouderen. Ervaring met seks kan ook indirect zijn, onder andere in de vorm van informatie van ouders, vrienden, school en de media. Jongeren die meer en opener met hun ouders over seks praten zullen een sterker seksueel zelfbeeld hebben. Waar de inhoud van het seksuele zelfbeeld betrekking heeft op de aard van de kenmerken die jongeren vinden passen bij zichzelf, gaat het bij de sterkte van het zelfbeeld om de mate waarin jongeren een relevant kenmerk beschrijvend vinden. De vragen die wij willen beantwoorden gaan erover hoe jongeren zichzelf zien op seksueel gebied en hoe inhoud en sterkte van dit seksuele zelfbeeld van invloed zijn op hun seksuele gedrag, vooral ook op het gebruik van pil en condoom. Om inzicht te krijgen in het seksuele zelfbeeld van jongeren in Nederland hebben wij een serie onderzoeken uitgevoerd onder in totaal 2.284 jongeren in de leeftijd van 12 tot 19 jaar. Aan de verschillende studies deden jongens en meisjes mee met verschillende culturele achtergronden en opleidingsniveau’s. Als eerste is in het onderzoek een vragenlijst ontwikkeld waarmee inzicht kan worden verkregen in de inhoud en sterkte van het seksuele zelfbeeld, de ‘Seksuele Zelfbeeldschaal voor Jongeren’. Met behulp van deze schaal is vervolgens onderzocht wat de invloed is van het seksuele zelfbeeld op seksueel (risico)gedrag.
Ontwikkeling van de seksuele zelfbeeld schaal voor jongeren Om de Seksuele Zelfbeeldschaal voor Jongeren te ontwikkelen zijn vier studies uitgevoerd. Hiervoor zijn nadrukkelijk scholen in de Randstad geworven, vanwege de grote culturele diversiteit van de leerlingen. In totaal deden 726 leerlingen van 14 verschillende scholen mee aan één van deze vier onderzoeken. In de eerste studie hebben we jongeren zelf zoveel mogelijk gevoelens, gedachten en eigenschappen laten genereren die zij belangrijk vonden voor het seksuele zelfbeeld, als aanvulling op items verkregen door literatuuronderzoek. In de tweede studie is een eerste stap gezet om te komen tot een handzaam instrument, door jongeren te laten aangeven welke van de in studie 1 gegenereerde eigenschappen zij belangrijk vonden voor het seksuele zelfbeeld van jongens en van meisjes. In de derde studie is het uiteindelijke instrument gevormd, door jongeren te laten aangeven welke kenmerken zij belangrijk vonden voor hun eigen seksuele zelfbeeld. In de vierde studie is gekeken hoe betrouwbaar de ontwikkelde schaal was, in het bijzonder of dezelfde antwoorden als de eerste keer werden verkregen tijdens een tweede afname enkele weken later. Voor het meetinstrument zijn uiteindelijk alleen die kenmerken geselecteerd die zowel voor autochtone jongens, autochtone meisjes, allochtone jongens als allochtone meisjes belangrijk waren voor hun seksuele zelfbeeld. Door deze selectieprocedure blijven kenmerkende eigenschappen van het seksuele zelfbeeld over en kan een betrouwbare vergelijking worden gemaakt tussen jongens en meisjes en tussen jongeren van verschillende etnische achtergrond. Wij vonden in ons onderzoek dat het seksuele zelfbeeld bestaat uit twee centrale aspecten waarop jongeren verschillen: relatiegerichtheid en seksgerichtheid. Relatiegerichtheid omvatte de kenmerken relatiegericht, romantisch, passioneel; seksgerichtheid omvatte de kenmerken geil, experimenteel en een uitgaanstype. De uiteindelijke schaal is dan ook kort en omvat slechts zes kenmerken waarvan jongeren aangeven in hoeverre deze beschrijvend zijn voor henzelf.
Invloed van het seksuele zelfbeeld op seksueel (risico)gedrag In een vijfde, grotere, studie is gekeken naar de invloed van inhoud en sterkte van het seksuele zelfbeeld van jongeren op hun (veilig) seksueel gedrag. Voor dit onderzoek zijn scholen geworven uit heel Nederland, om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van Nederlandse jongeren. In totaal hebben 25 scholen uit diverse regio’s hun medewerking verleend; de vragenlijst is afgenomen onder 1.558 leerlingen in de leeftijd van 12 tot 19 jaar, met een gemiddelde leeftijd van 15,2 jaar. De respondentengroep bestond uit ongeveer evenveel jongens als meisjes. Ongeveer driekwart (76%) zat op het vmbo, roc, mbo of praktijkonderwijs en ongeveer een kwart (23%) volgde havo of vwo. Verder bleek dat 77% van de respondenten autochtoon was en 23% allochtoon, gebaseerd op het geboorteland van de ouders. De inhoud van het seksuele zelfbeeld is gemeten aan de hand van de Seksuele Zelfbeeldschaal voor Jongeren, zoals door ons ontwikkeld. Naarmate kenmerken gemiddeld als meer beschrijvend worden gezien, spreken wij van een sterker seksueel zelfbeeld. Analyses zijn zowel uitgevoerd voor het gehele seksuele zelfbeeld als voor twee afzonderlijke dimensies. Uit het onderzoek bleek dat jongeren met een sterker ontwikkeld seksueel zelfbeeld (zowel relatiegerichtheid als seksgerichtheid worden meer kenmerkend gevonden), zich ook meer bewust waren van zichzelf als seksueel persoon. Deze jongeren waren, zoals verwacht, ook veel meer gemotiveerd om in de toekomst seksueel actief te zijn dan jongeren met een minder sterk seksueel zelfbeeld. Zoals is te zien in tabel 1 komt dit verschil in seksuele motivatie ook tot uiting in daadwerkelijk gedrag: slechts 2% van de jongeren met een minder sterk seksueel zelfbeeld had, bijvoorbeeld, ervaring met geslachtsgemeenschap, vergeleken met 73% van de jongeren met een sterker seksueel zelfbeeld. Ervaring met verschillende seksuele gedragingen blijkt vooral samen te hangen met de seksgerichte dimensie van het seksuele zelfbeeld. Daarentegen blijkt veilig vrijgedrag het sterkst samen te hangen met de relatiegerichte dimensie: naarmate jongeren sterker relatiegericht zijn, zijn ze meer geneigd de pil te gebruiken, maar juist minder geneigd een condoom te gebruiken. De onderzoeksgegevens laten verder zien dat onder jongeren die niet veilig vrijen beide dimensies van het seksuele zelfbeeld (relatiegericht en seksgericht) minder sterk zijn. Jongeren met een minder sterk seksueel zelfbeeld lijken dan ook, zoals verwacht, niet optimaal voorbereid op seksueel gedrag. Als zij dan toch seks hebben, vertonen ze meer risicovol gedrag. Dit is vermoedelijk omdat de seksualiteit die deze jongeren hebben (nog) niet past bij de ontwikkeling van hun seksueel referentiekader. Wat er op seksueel gebied gebeurt, is vermoedelijk vooral afhankelijk van de situatie en de partner; er is weinig actieve zelfsturing en planning van gedrag.
 Implicaties van de bevindingen De bevindingen bieden aanknopingspunten voor de ontwikkeling van een nieuwe generatie interventies om de seksuele gezondheid van jongeren met diverse achtergronden te bevorderen. Een eerste implicatie volgt uit de bevinding dat het gebruik van condoom of pil samenhangt met de sterkte van het seksuele zelfbeeld. Om anticonceptie en veilig vrijen te bevorderen is het dan ook van belang om in opvoeding en onderwijs de ontwikkeling van een seksueel zelfbeeld onder jongeren te stimuleren. Vooral als jongeren weten wie zij ‘zijn’ op seksueel gebied, gaan zij hun seksuele contacten goed voorbereid aan, en veelvuldige en open communicatie kan hieraan een belangrijke bijdrage leveren. Deels is de ontwikkeling van een seksueel zelfbeeld een natuurlijk proces, maar gezien de steeds jongere leeftijd waarop jongeren seksueel actief worden, het gebrek aan bescherming en het vaak ongewenste karakter van juist eerste seksuele contacten op jonge leeftijd, is er ook behoefte aan vroege relationele en seksuele vorming om dit ontwikkelingsproces te ondersteunen. In een samenhangend systeem van seksualiteitsprogramma’s voor achtereenvolgende leeftijdsgroepen zou het verhelderen van de (veranderende) betekenis van seksualiteit en relaties voor de jongeren zelf centraal moeten staan en dient het aangeven en bewaken van passende eigen grenzen gestimuleerd te worden. Dit is vooral van belang voor jongeren uit sociale omgevingen waarin weinig open gecommuniceerd wordt over seks en relaties, zoals veel allochtone jongeren. Interventies gericht op het seksuele zelfbeeld kunnen dan ook bijdragen aan het verminderen van verschillen in seksuele gezondheid tussen bevolkingsgroepen. Jongeren met een sterker seksueel zelfbeeld beschermen zich doorgaans beter, maar niet optimaal. Het gebruik van pil en condoom hangt vooral af van de mate waarin jongeren relatiegericht zijn. Sterke relatiegerichtheid bevordert het gebruik van de pil, maar vermindert het gebruik van condooms en dit maakt juist relatiegerichte jongeren kwetsbaar voor seksueel overdraagbare infecties. Het stimuleren van condoomgebruik door jongeren die sterk relatiegericht zijn vraagt dan ook om het verhelderen van de betekenis die relaties en condoomgebruik voor hen hebben. Daar waar deze betekenissen botsen, kunnen deze meer in overeenstemming gebracht worden door jongeren zelf te laten nadenken over, bijvoorbeeld, waarom zij eigenlijk vinden dat condooms en relaties niet bij elkaar passen en hoe condooms juist een positieve functie kunnen vervullen en geen uiting hoeven te zijn van wantrouwen of gebrek aan intimiteit. Seksuele vorming die uit gaat van het seksuele zelfbeeld kan naar verwachting dan ook bijdragen aan een notoir moeilijk domein van seksuele gezondheidsbevordering: het stimuleren van veilig vrijen in relaties. In de volgende fase van het project zal, in samenwerking met verschillende instellingen uit het veld van seksuele gezondheidsbevordering, een innovatieve interventie worden ontwikkeld die uitgaat van het vooralsnog abstracte idee dat seksuele vorming vooral effectief is als deze het seksuele zelfbeeld van jongeren centraal stelt. Kern van de aanpak die wij voortstaan is het principe van zelfregulatie,6 wat inhoudt dat jongeren gestimuleerd worden hun eigen doelen op het gebied van seksualiteit, die samenhangen met hun seksueel zelfbeeld, te verhelderen en kritisch te toetsen (Bijv. ‘Ben ik wel aan gemeenschap toe?’, Hoe belangrijk zijn relaties voor mij?’, ‘Hoe graag wil ik eigenlijk seks hebben?’, Waarom wil ik in mijn relatie liever geen condooms gebruiken?’) en na te gaan hoe zij seksueel actief kunnen zijn op een wijze die zowel optimaal aansluit bij hun eigen beleving en wensen als hen beschermt tegen eventuele ongewenste gevolgen.
Het beschreven onderzoek is mede tot stand gekomen door financiering van ZonMw. Deze publicatie maakt onderdeel uit van een lopend onderzoek naar cultuur en het seksuele zelfbeeld van jongeren.
Literatuur
- Berlo W van, Wijsen C, Vanwesenbeeck I. Gebrek aan regie: een kwalitatief onderzoek naar de achtergronden van tienerzwangerschappen. Utrecht, Rutgers Nisso Groep 2005.
- Laar MJW van de, De Boer IM, Koedijk FDH, Op de Coul ELM. HIV and Sexually Transmitted Infections in the Netherlands in 2004. Bilthoven, RIVM 2005 [report 441100022/2005].
- Wijsen C, Lee L van. Landelijke Abortus Registratie 2004. Utrecht, Rutgers Nisso Groep 2005.
- Fisher JD, Fisher WA.Changing AIDS risk behavior. Psychol Bull 1992;111:455-74.
- Andersen BL, Cyranowski JM. Women’s sexual self-schema. J Personal Social Psychol 1994;67:1079-1100.
- De Ridder, D., & De Wit, J. (2006) (Eds.). Self-regulation in health behavior. Chichester, UK: Wiley.
top
|
| zoeken |
|
|
| SOAIDS Magazine |
|
|
| inhoudsopgave |
 |
Hoopgevend onderzoek, twijfel blijft - Rob Vlasblom |
| |
|
 |
Onderzoek naar hiv-vaccins - J.N. Vermeulen, J.M. Prins |
| |
|
 |
Huidafwijkingen aan de vulva en vagina: Vulvaire aftosis - R. van den Bos, W. van der Meijden |
| |
|
 |
Aidsconferentie Toronto: tijd voor daden - Irene Keizer |
| |
|
 |
Nut besnijdenis niet clear cut - Sam Gobin |
| |
|
 |
Jongeren en hun seksuele zelfbeeld - L. Breeman, J. de Wit, L. Woertman |
| |
|
 |
Aids Soa Infolijn scoort bijzonder goed - B. Tempert, F. Mevissen, E. Eiling, H. Schaalma |
| |
|
 |
Week van de Liefde rond Valentijnsdag - Matthieu klein Tank |
| |
|
 |
'Als preventiewerker moet je een beetje een entertainer zijn' - Matthieu klein Tank |
| |
|
 |
‘Kijk, een dode vogel!’ De geschiedenis van De Gebroeders - A. Oomen |
| |
|
 |
Focus op vrouwen bij Internationale Aids Conferentie - E. Susuyu Ali, J. Bushee |
| |
|
 |
Expliciete seksuele vorming in ontwikkelingslanden - Jo Reinders |
| |
|
|
|