Condoomgebruik geen norm in Nederland
Verontrustende cijfers en opvallende sekseverschillen
Lisette Kuyper, onderzoeker Rutgers Nisso Groep Ine Vanwesenbeeck, manager Onderzoek Rutgers Nisso Groep
- Bij interventies rekening houden met de gehele seksuele context
- Bij onderzoek en interventies is vaak geen aandacht voor anale seks
|
Bij het recente grootschalige bevolkingsonderzoek naar de seksuele gezondheid in Nederland1 onder mensen van 18 tot 70 jaar is uitgebreid gevraagd naar condoomgebruik. Zo zijn we meer te weten gekomen over de frequentie waarmee Nederlanders condooms gebruiken, de omvang van de groep die een verhoogd risico loopt en de factoren die het condoomgebruik beïnvloeden.
Hoe vaak gebruiken Nederlanders condooms? In de tabel is te zien hoe vaak men, uitgesplitst naar sekse, met welke partner in het afgelopen half jaar condooms heeft gebruikt.

Condoomgebruik door volwassen Nederlanders bij verschillende vormen van seks met verschillende partnertypes in het afgelopen half jaar (%, naar sekse) * significant lager percentage dan de andere sekse (p≤.01) Wegens de geringe omvang van de groep vrouwen met anale seks met een losse partner, zijn de verschillen tussen de sekses niet getoetst
Zoals te verwachten viel, ligt het condoomgebruik met losse partners hoger dan met vaste. Maar ook bij losse partners vindt een groot deel van de vaginale en anale seks onbeschermd plaats: ‘slechts’ een derde van de vrouwen en de helft van de mannen gebruikte in het afgelopen half jaar bij vaginale seks met (een) losse partner(s) wél altijd condooms. Bij anale seks liggen deze percentages nog wat lager. Gegevens van vrouwen met betrekking tot anale seks met een losse partner moeten echter wel met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd gezien de geringe omvang van de onderzoeksgroep (44 vrouwen). Wat opvalt is dat mannen vaker dan vrouwen aangeven bij alle partnertypen en bij alle vormen van seks condooms te gebruiken. Dit sekseverschil is een ‘statistisch raadsel’, gezien het ongeveer gelijke aantal mannen en vrouwen in Nederland en het heteroseksuele karakter van het leeuwendeel van de sekscontacten.2 Bewuste of onbewuste fouten in de beantwoording van de vragen kunnen een rol spelen. Mannen hebben bijvoorbeeld gemiddeld genomen een negatievere kijk op condooms en schatten de risico’s van condoomloze seks lager in.3,4 Hierdoor kunnen zij de sekservaringen waar wél een condoom aan te pas kwam, als negatiever beoordelen. Immers, ze schatten de risico’s die ermee verbonden zijn laag in en beoordelen de condooms negatief. Deze negatieve ervaringen kunnen eruit springen bij het zich herinneren van het condoomgebruik als hiernaar wordt gevraagd. Bij vrouwen ligt dit net andersom: zij zien meer risico’s van onbeschermde seks en minder nadelen van condoomgebruik3,4, waardoor voor hen de negatieve, er-uit-springende gebeurtenissen juist de keren zijn dat zij het condoom achterwege lieten. Mogelijk rapporteren zij hierdoor minder condoomgebruik.
Risicogroep Niet elk onbeschermd contact is even risicovol. Onbeschermde seks binnen een monogame relatie is vaak minder risicovol dan met losse contacten. Wij hebben de omvang van twee risicogroepen berekend: de groep die zelf onbeschermde seks heeft gehad met (een) losse partner(s) in het afgelopen half jaar, en de groep die zelf monogaam was, maar onbeschermde seks heeft gehad met een vaste partner die niet monogaam was. Van de Nederlandse volwassen bevolking maakt 7.0% deel uit van de eerste groep en 1.6% van de tweede. In totaal heeft dus 8.6% van de Nederlandse bevolking in het afgelopen half jaar een verhoogd risico gelopen op een soa/hiv-infectie. Geëxtrapoleerd naar de Nederlandse bevolking van 18 tot 70 jaar zijn dit tussen de 823.000 en 1.061.000 mensen. Deze risicogroep bevat beduidend meer mannen dan vrouwen. Het is weliswaar zo dat vrouwen minder condoomgebruik rapporteren dan mannen, maar vrouwen rapporteren ook minder losse partners.
Condoomgebruik voorspeld vanuit breder seksueel perspectief Klassieke concepten die samenhangen met condoomgebruik zoals attitude, sociale norm, eigeneffectiviteit, intentie en barrières zijn bij het huidige onderzoek buiten beschouwing gelaten. Wel is er met behulp van regressieanalyses onderzocht welke brede seksualiteitskenmerken er eventueel samenhangen met het in de tabel besproken condoomgebruik (bij vaginale seks met vaste en losse partners).
Vaste partners Bij vaste partners zijn de volgende concepten betrokken bij de analyse: geslacht, relatieduur, hoeveelheid partners in het afgelopen half jaar, het wel of niet hebben gehad van losse partners gedurende de afgelopen zes maanden, getest zijn op soa/hiv, seksuele zelfachting, seksuele interactiecompetentie, en relatieproblematiek. Uit deze analyse blijkt dat de factoren samenhangen met het condoomgebruik. De verschillende concepten verklaren samen 9.8% van de verschillen in condoomgebruik. De unieke significante voorspellers (dat wil zeggen, de concepten die een eigen bijdrage leveren aan het verklaren van de verschillen in condoomgebruik) zijn geslacht, relatieduur, seksuele zelfachting en relatieproblematiek. De voorspeller met de grootste invloed op het condoomgebruik is de duur van de relatie: hoe langer deze duurt, hoe lager het condoomgebruik. Mannen rapporteren een hoger condoomgebruik dan vrouwen. Ook seksuele zelfachting is een unieke factor bij de voorspelling: respondenten met een positieve seksuele zelfachting (dat wil zeggen dat zij zichzelf als aantrekkelijk beschouwen en tevreden zijn over hun lichaam) gebruiken vaker condooms. Tot slot speelt relatieproblematiek een rol: degenen met minder problemen (onderling begrip, geen ruzie, gelukkig zijn) gebruiken vaker condooms.
Losse partners De concepten die het condoomgebruik bij losse partners voorspellen zijn geslacht, hoeveelheid partners in het afgelopen half jaar, getest zijn op soa/hiv, seksuele zelfachting en seksuele interactiecompetentie. De factoren verklaren samen bijna twaalf procent (11.7%) van de verschillen in condoomgebruik met losse partners. Geslacht, hoeveelheid partners en het al dan niet getest zijn op soa/hiv zijn de unieke significante voorspellers. Vrouwen gebruiken wederom minder vaak condooms dan mannen. Meer verschillende losse partners in de afgelopen zes maanden betekende vaker gebruik van condooms. Daarbij hangt het getest zijn op soa/hiv ook samen met een verhoogd condoomgebruik: degenen die zich hebben laten testen, gebruiken vaker condooms. Deze uitkomsten geven het beeld dat degenen die een verhoogd risico lopen (respondenten met veel losse partners) zich hier wel bewust van zijn en dus zichzelf en hun partners relatief goed beschermen tegen soa/hiv, zowel door hun condoomgebruik als hun testgedrag.
Conclusies In Nederland is anno 2006 condoomgebruik nog lang niet de norm. Ook met losse partners wordt nog veelvuldig condoomloze seks bedreven. De resultaten van de bevolkingsstudie roepen een aantal vragen op die in vervolgonderzoek en interventies aan de orde zouden moeten komen. Bij verder, verdiepend onderzoek zal er in ieder geval aandacht moeten worden besteed aan verklaringen voor de frappante sekseverschillen. Een onderzoek met behulp van diepte-interviews over hoe respondenten bepaalde vragen opvatten en deze vervolgens beantwoorden zou hier misschien licht op kunnen laten schijnen. Ook bevestigt de bevolkingsstudie wederom dat interventies rekening moeten houden met de gehele seksuele context, en niet alleen met de factoren die volgens klassieke modellen een rol spelen bij het voorspellen van condoomgebruik (zoals attitude en intenties). Verder is er, zowel in onderzoek als interventies, vaak geen aandacht voor anale seks bij heteroseksuelen. De groep die hier ervaring mee heeft is echter niet gering. Ongeveer een kwart van de heteroseksuelen met seksuele ervaring in het afgelopen half jaar heeft anale seks gehad1. Het condoomgebruik tijdens anale seks ligt lager dan bij vaginale seks terwijl overdracht van soa en/of hiv vaak makkelijker plaatsvindt. Wellicht kunnen we op, onder andere, deze manier de omvang van de risicogroep (nu tussen de 823.000 en 1.061.000 mensen in het afgelopen half jaar) in de toekomst verkleinen.
Referenties
- Bakker, F., & Vanwesenbeeck, I. (2006). Seksuele gezondheid in Nederland 2006. Delft: Eburon.
- Vanwesenbeeck, I. (2004). Seksuele diversiteit. In L. Gijs, W. Gianotten, I. Vanwesenbeeck & P. Weijenborg (Red.), Seksuologie (pp. 191-207). Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
- Kuyper, L., & Haas, S. de (2006). Soa en hiv, testgedrag en condoomgebruik. In F. Bakker en I. Vanwesenbeeck (Eds.), Seksuele gezondheid in Nederland 2006 (pp. 103-122). Delft: Eburon
- Kuyper, L., Bakker, F., & Zimbile, F. (2006). Veilig vrijen bij jongeren. Stand van zaken 2005 en de ontwikkeling sinds 1997. Utrecht: Rutgers Nisso Groep.
top
|
| zoeken |
|
|
| SOAIDS Magazine |
|
|
| inhoudsopgave |
|
|
|