Seks en internet Risico's voor soa en kansen voor preventie
Kees Rietmeijer, hoofd soa/hiv-polikliniek Denver
Redactioneel commentaar bij dit artikel
Voor seksueel contact zoekt menigeen tegenwoordig op internet. Datzelfde medium is daardoor eveneens geschikt voor het gunstig beïnvloeden van risico’s van seksueel gedrag. De auteur deed hiernaar onderzoek in de Verenigde Staten, waaruit de hier gepresenteerde gegevens zijn geput. Ook in Nederland wordt onderzoek gedaan naar de rol van internet bij het oplopen en voorkomen van soa.
Een middel voor verschillende toepassingen Met de popularisering van het internet is dit medium ook een steeds belangrijker rol gaan spelen in ons seksuele leven. Een willekeurige ‘Google’ zoekactie laat hier weinig twijfel over bestaan: het trefwoord ‘sex’ levert 169 miljoen ‘hits’ op, ‘porno’ 104 miljoen hits, ‘finding a sex partner on-line’: meer dan 6 miljoen, ‘barebacking’ (anale seks zonder condoom): 23.000 hits. Afhankelijk van morele opvattingen kan het internet dan ook gezien worden als een middel tot vrijere seksuele expressie of een 21ste eeuwse poel des verderfs. Op zichzelf is internet natuurlijk een neutraal medium dat ook bruikbaar is voor preventieve doeleinden. Een Google zoekactie voor ‘condoms’ scoort bijna 2 miljoen hits, ‘safe sex’ meer dan 4 miljoen en ‘veilig vrijen’ maar liefst meer dan 35.000.
Gedragswetenschappelijk onderzoek Hoewel het gebruik van het internet voor het vinden van sekspartners waarschijnlijk al zo lang gaande is als dit medium bestaat, heeft het even geduurd voor het ‘seksuele internet’ onderwerp van (gedrags)wetenschappelijk onderzoek werd. Sinds het begin van dit decennium is er echter een gestage stroom publicaties op gang gekomen; vrijwel ieder aan soa of hiv gerelateerd wetenschappelijk tijdschrift besteedt tegenwoordig dan ook aandacht aan dit fenomeen. Aanvankelijk hadden deze artikelen vooral een beschrijvend karakter en waren ze hoofdzakelijk gericht op de overdrachtsrisico’s van soa/hiv, in het bijzonder bij ‘mannen die seks hebben met mannen’ (MSM). Onderzoek in Denver, San Francisco en Londen toonde aan dat ongeveer 30% van de ondervraagde MSM in verschillende settings (hiv-testplaatsen, soa-poliklinieken en fitness centra) tenminste één sekspartner hadden gevonden via internet. Opvallend is dat dit percentage voor verschillende steden gold. Onder heteroseksuele mannen en vrouwen is dit gedrag minder prevalent: ongeveer 3% van de heteroseksuele bezoekers van de soa-poli in Denver. Een interessant verschil tussen MSM en – vooral - vrouwelijke heteroseksuelen is dat MSM het internet gebruiken om een sekspartner te vinden maar primair on-line sekszoekend gedrag onder heteroseksuelen aanzienlijk minder voorkomt. De laatste groep lijkt in eerste instantie uit te zijn op vriendschappelijke en romantische relaties, waar dan later eventueel een seksuele relatie uit voortvloeit.
Internet en toename van syfilis Er is recent veel aandacht besteed aan de rol die het internet speelt bij de toename van verschillende soa onder MSM sinds het midden van de jaren negentig. Hoewel de toename van vroege syfilis en gonorroe in deze groep een complexe achtergrond heeft en waarschijnlijk vooral te maken heeft met een veranderde perceptie ten aanzien van hiv en aids sinds het beschikbaar komen van de zeer actieve antivirale medicaties, heeft de mogelijke invloed van het internet veel stof doen opwaaien. Het verband tussen vroege syfilis en seksuele contacten via het internet werd voor het eerst gelegd in San Francisco in 1999, maar is nu op verschillende plaatsen bevestigd. Uit een recent rapport bijvoorbeeld blijkt dat van de 759 MSM met vroege syfilis in Los Angeles, tussen 2001 en 2003, 23% seksuele contacten heeft gehad via internet en dat dit percentage toenam van 18 in 2001 tot 22 in 2002 en 26 in 2003. De toename van gonorroe onder MSM sinds het midden van de jaren negentig is mogelijk ook gerelateerd aan het gebruik van internet. In de soa-polikliniek van Denver is het voorkomen van gonorroe onder MSM in beduidende mate geassocieerd met sekspartners via internet en ook met een sero-positieve hiv-status.
Syfilis en hiv-incidentie De recente toename van soa onder MSM heeft in de Verenigde Staten tot een begrijpelijke verontrusting geleid over een mogelijke parallelle toename van hiv in dit land binnen deze populatie. Hoewel de stijging van het aantal gevallen van vroege syfilis en gonorroe toch al bijna 10 jaar gaande is, zijn er (nog) geen duidelijke aanwijzingen dat dit geleid heeft tot een gelijktijdige toename van de hiv-incidentie. Er is van verschillende kanten gespeculeerd dat deze paradoxale situatie verklaard kan worden doordat een groeiend aantal MSM alleen onbeschermd contact zou hebben met seksuele partners die dezelfde hiv-status hebben. In deze context is het een intrigerende bevinding in ons onderzoek in Denver dat MSM die seksuele partners hebben gevonden via internet vaker de hiv-status bespreken met hun prospectieve partners dan MSM die partners elders ontmoeten (bijvoorbeeld in de homosauna’s) en ook minder vaak seks hebben met partners wier hiv-status tegenovergesteld is aan hun eigen status of wier status onbekend is. Mogelijk bevordert het internet dus dit zogenoemde ‘sero-sorting’ gedrag en opent het een deur, althans in theorie, tot het bevorderen van zulk gedrag door (on-line) preventieve interventies.
Vormen van internetpreventie Gezien de omvang en bereik van het internet lijkt dit medium bij uitstek geschikt voor soa/hiv-preventie. De vraag is natuurlijk of de groepen met internet-risicogedrag ook via dit medium bereikbaar zijn voor preventie. Uit het geringe onderzoek dat hierover beschikbaar is lijkt dit inderdaad zo te zijn. On-line preventie valt in grofweg drie categorieën te verdelen. De eerste categorie bestaat uit de al langer bestaande sites waarop informatie over soa en hiv beschikbaar is. In de VS is dat bijvoorbeeld de site van de American Social Health Organization (www.ashastd.org) en in Nederland natuurlijk die van Soa Aids Nederland (www.soaaids.nl). Een tweede categorie wordt gevormd door het on-line brengen van traditionele off-line interventies. Om meer mensen tot het testen voor syfilis te bewegen bijvoorbeeld maakt de site van de soa-poli in San Francisco het mogelijk om een testformulier te downloaden waarmee iemand naar een aantal plaatsen kan gaan om bloed te laten prikken. De resultaten zijn on-line beschikbaar. (www.dph.sf.ca.us/sfcityclinic). In San Francisco en Los Angeles is ook met succes geëxperimenteerd met het gebruik van het Internet voor partneropsporing door middel van e-mailcontacten. Ten slotte zijn er de innovatieve, internetspecifieke interventies die voor een groot gedeelte nog in de onderzoeksfase verkeren. In deze categorie vallen de chat-room interventies waar preventiewerkers actieve interacties aangaan met bezoekers van seksgeoriënteerde (vooral MSM-specifieke) chatrooms. Deze interventies zijn echter bijzonder arbeidsintensief en niet iedere ‘chatter’ zit te wachten op ‘big brother’-achtige inmenging. Een Nederlandse aan chatroom gekoppelde interventie is te vinden op www.dateguide.nl, een automatische ‘chat’ die de bezoeker adviezen geeft over coming out, daten en veilige seks. Deze site wordt maandelijks door ruim 6.000 (jonge) mannen bezocht.
Geïndividualiseerde interventie De meest innovatieve interventies maken niet alleen gebruik van het bereik van het internet, maar ook van de gehele computerinfrastructuur die het mogelijk maakt om volledig geautomatiseerde maar toch sterk geïndividualiseerde preventieboodschappen te verspreiden. In dit verband moet het internetonderzoek van de Amsterdamse GG&GD worden genoemd. In een on-line interventie wordt van de deelnemer door middel van een uitgebreide vragenlijst een individueel profiel opgesteld, op basis waarvan door middel van gecomputeriseerde algoritmen een ‘op maat gesneden’ preventieboodschap wordt aangeboden. Uit het onderzoek blijkt dat deze geïndividualiseerde interventie effectiever is in het beïnvloeden van risicogedrag dan meer algemene standaard hiv-preventieinformatie.
Nog maar het begin Al met al echter staat onderzoek naar de rol van internet bij preventie toch nog in de kinderschoenen.Het voordeel van internetonderzoek is dat het over het algemeen gemakkelijker is om deelnemers te rekruteren dan in het traditionele ‘face-to-face’ onderzoek, maar het nadeel is dat het veel moeilijker is om onderzoeksdeelnemers on-line te doen terugkeren voor vervolginterviews (in het Amsterdamse onderzoek minder dan 40%). Ongetwijfeld zullen in de komende jaren nog vele en wellicht nog creatievere interventies het licht zien op het internet. De toekomst zal moeten leren of de preventieve waarde van het internet hoger is dan de kosten van aan internet gerelateerd risicogedrag.
top
Redactioneel commentaar bij artikel Seks en Internet
Cor Blom, Hoofdredacteur Soa Aids Magazine
Voor de redactie was een recente publicatie aanleiding om Kees Rietmeijer te vragen een artikel te schrijven over soa/hiv-preventie en internet. In zijn proefschrift Lessons in hiv/std prevention maakt hij de balans op van 20 jaar aids- en soa-preventie (zie bespreking in Soa Aids Magazine nr. 1). Hij eindigt met een pleidooi voor het gebruik van innovatieve preventiestrategieën, bijvoorbeeld via internet. Daarover wilden we meer van hem weten. Zijn artikel Seks en Internet is een waardevolle inleiding tot dit onderwerp. Het is echter belangrijk om in gedachten te houden dat gerapporteerd wordt uit de Verenigde Staten van Amerika. Veel ontwikkelingen die daar plaatsvinden zien we later ook in Nederland, maar niet altijd. Zo wordt in San Francisco en Los Angeles een stijging van soa gevonden zonder een gelijktijdige stijging van hiv-incidentie, maar in Nederland zien we die helaas wel beide optreden; de hiv-incidentie stijgt hier vooral onder oudere homomannen. De suggestie van Rietmeijer dat sero-sorting kan worden bevorderd door preventieve interventies wordt in Nederland niet overwogen. Interessant is wel te onderzoeken hoe de meer open communicatie over sero-status kan worden overgebracht van de virtuele wereld van internet naar de dagelijkse realiteit.
Rietmeijer noemt enkele Nederlandse preventieve interventies via internet. De redactie heeft hem echter niet gevraagd om een compleet beeld te schetsen van alle soa/hiv-preventie gericht op internet in Nederland. Die lijst is namelijk groot en de ontwikkelingen op dat gebied gaan behoorlijk snel. Internet is inmiddels onmisbaar geworden in de primaire preventie. In de Nederlandse soa/aidsvoorlichting en preventie wordt internet behalve voor het verstrekken van informatie ook ingezet voor onderzoek (o.a. naar testgedrag van homomannen en seksueel gedrag van jongeren), voor het betrekken bij andere relevante onderwerpen (zoals via een elektronische nieuwsbrief aan de doelgroep), voor het stimuleren van discussies (o.a. op zogenoemde community websites), voor advies op maat (o.a. e-mail beantwoording Infolijn en soatest.nl) en zelfs voor gedragsgerichte interventies op maat. In de secundaire preventie wordt internet ingezet om de syfilistest onder homomannen te bevorderen (GG&GD Amsterdam). En in de surveillance vindt registratie van consulten en gevonden infecties nu ook plaats via een internetapplicatie (met de naam SOAP).
Het ligt in de bedoeling van de redactie om de komende tijd meer aandacht te besteden aan deze ontwikkelingen. Daarom hierbij een oproep voor ideeën voor artikelen aan de lezers: hoe zet u nieuwe communicatietechnieken in voor de bevordering van soa/hiv-preventie, welke resultaten en effecten behaalt u daarmee, tegen welke nieuwe uitdagingen loopt u op en hoe heeft u die opgelost. Met uw medewerking wordt dit onderwerp vervolgd.
top
|