Jaargang 4, nummer 5 - december 2007 Terug naar home
Print versie
Meer soa vinden bij minder mensen


Preventieve en curatieve bestrijding gebundeld in regionale soa-centra

Masja de Ree, freelance journalist

>> In Utrecht bleef veel bij het oude, in Den Haag veranderde ‘alles’.
>> Den Haag: soa-zorg meer dan vroeger een volksgezondheidskarakter.

Samenvoegen van preventie en curatie, één coördinerende GGD per regio en in elke regio minimaal één laagdrempelige locatie waar mensen zich kosteloos kunnen laten testen op soa: dat is het idee achter de nieuwe rijksregeling die op 1 januari 2006 van kracht ging. Wat brengt de nieuwe regeling, twee jaar later, in de praktijk?

‘We bereiken veel meer mensen’, vertelt Jos van de Sande, projectleider bij de coördinerende GGD in de regio Brabant Zeeland. ‘Op acht locaties in Brabant en Zeeland hebben we een soa-poli. Dat was voor 2006 ook het geval, maar toen stimuleerden we het doen van testen niet omdat we alleen een gemeentelijke subsidie kregen. Alles wat we uitgaven aan curatieve soa-bestrijding, ging af van de preventie. Toen het rijk geld beschikbaar stelde, besloten we een deel daarvan direct te gebruiken voor de oprichting van een professioneel call center.’
Door één telefoonnummer in te stellen, voert de regio Brabant Zeeland de regionale aanpak ver door. ‘Onze goed opgeleide telefonistes doen een triage volgens de landelijke kwaliteitseisen en maken de afspraken in de verschillende poli’s. We bemerkten direct een toename van het aantal consulten en het vindpercentage steeg. Meer risicogroepen meldden zich aan, terwijl we nog niet eens reclame maakten.’ Die tendens zette door: in 2006 werden door het regionale soa-centrum ruim 800 soa gevonden, tegen bijna 400 in 2005.

korte wachttijden Het regionale nummer werkte zo goed dat de wachttijden in het begin opliepen. Dankzij een planningsmodule, waarbij altijd plaatsen open blijven voor spoedgevallen, is de wachttijd inmiddels maximaal twee dagen bij klachten en twee weken zonder. Van de Sande maakt dankbaar gebruik van de mogelijkheden die het elektronische patiëntendossier biedt:
‘Wij houden alles bij: het aantal klanten, het aantal soa, de wachttijden. Daardoor kunnen we alert reageren, bijvoorbeeld als de wachttijd op een locatie oploopt of als ergens ineens veel hiv-besmettingen voorkomen. Dan gaan we na hoe dat kan.’
Nieuwe regeling
Omdat het aantal (nieuwe) gevallen van soa in Nederland de afgelopen jaren sterk toeneemt, heeft het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besloten de organisatie en financiering van de aanvullende curatieve soa-bestrijding aan te passen. Tot 2006 was die financiering niet eenduidig geregeld en konden risicogroepen niet in heel Nederland terecht voor een gratis soa- en/of hiv-test. Sinds 1 januari 2006 is Nederland verdeeld in acht regio’s met elk een coördinerende GGD die de curatieve soa-bestrijding, in samenwerking met andere instellingen, organiseert. De hoogte van de rijkssubsidie is gedeeltelijk afhankelijk gemaakt van het aantal gevonden soa.

snel signaleren In Utrecht veranderde op de werkvloer weinig ten gevolge van de nieuwe regeling. ‘De samenwerking met het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU) en de twee andere GGD’en in de regio, was en is goed’, zegt Marja Langevoort, beleidsmedewerker bij de GG&GD Utrecht en coördinator van het soa-centrum. ‘Het enige verschil is dat er in Amersfoort een soa-poli is bijgekomen.’
In 2006 is de samenwerking tussen de vier organisaties formeel bezegeld. ‘Het vergt veel afstemming om iedereen op één lijn te houden,’ vindt Langevoort, ‘maar het samenwerken met een UMC levert veel op.’ Het soa-spreekuur in de stad Utrecht vindt plaats in het UMC. Na een telefonische triage bezoeken cliënten het spreekuur van de arts (hoog risico) of de verpleegkundige (relatief laag risico). Bij het artsenspreekuur is ook een sociaalverpleegkundige van de GGD aanwezig. Langevoort: ‘Ik ben erg gecharmeerd van die constructie. Het UMC heeft de medische expertise, wij zijn sterk in de sociale kant. Daardoor ontstaat een sterke koppeling tussen curatie en preventie.’ GGD-verpleegkundige Tamara Rosenbach: ‘We signalen trends snel – zoals nu het swingen, een soort partnerruil binnen een grotere groep – en springen daar elders in de organisatie op in. Dat is onze kracht.’

jong en allochtoon De afgelopen jaren is het aantal consulten in Utrecht explosief gestegen. ‘In 2006 moest de rem erop omdat we het niet konden bolwerken’, vertelt Langevoort. ‘We zijn explicieter gaan verwijzen naar de huisarts. We zijn blij dat ons aanvankelijk relatief lage vindpercentage vorig jaar iets is gestegen. Die stijging willen we doorzetten door ons te richten op risicogroepen die we nog niet bereiken. Rosenbach is in dit kader betrokken bij een voorlichtingsproject over chlamydia in een aantal klassen op het ROC, waarbij jongeren ook een urinetestje kunnen doen. ‘Daar bereiken we een belangrijke groep: jong, niet hoogopgeleid, allochtoon. Het project geeft ons de kans informatie te geven over preventie en de mogelijkheid te testen en het verschaft informatie over de prevalentie van chlamydia.’

ambitie Waar in Utrecht wat betreft werk-wijze veel bij het oude bleef, veranderde in Den Haag (regio Noordelijk Zuid-Holland) “alles”. ‘Mijn ambitie was een sexual health clinic neer te zetten’, zegt Petra van Leeuwen, hoofd van het regionale soa-centrum Den Haag. ‘Dat lijkt te gaan lukken.’ Vroeger waren er in Den Haag twee drempelvrije poliklinieken waar dermatologen de leiding hadden. ‘Wij stationeerden daar als GGD een verpleegkundige die voorlichting gaf en de hiv-counseling deed. Dat liep goed, maar niet vlekkeloos. We zagen niet iedereen, we hadden weinig invloed op de gang van zaken en bovendien zijn twee locaties in een stad logistiek niet handig.’

Toen de mogelijkheid tot vernieuwen zich voordeed, heeft de GGD Den Haag ervoor gekozen één locatie op te richten en zelf de soa-consulten te gaan doen. De dermatologen blijven op de achtergrond betrokken in de zin dat gevallen die niet in de eerste lijn thuis horen worden doorverwezen, dat ze beschikbaar zijn voor vragen en dat er een keer per week een dermatoloog samen met een dermatoloog in opleiding in het centrum werkzaam is. Daarnaast bewaken ze de medische richtlijnen.

overgangsjaar: curatie erbij 2006 was een overgangsjaar. Van Leeuwen. ‘We hebben een groot beroep moeten doen op ieders flexibiliteit en het hele team is nageschoold omdat we overstapten van alleen preventie naar preventie en curatie.’ Nu worden de cliënten opgevangen in de fris geschilderde wachtruimte van het nieuwe gebouw naast het Westeinde Ziekenhuis. Een verpleegkundige doet de consulten en bij klachten komt de arts langs. Een doktersassistent neemt het testmateriaal af. Alles in één gebouw.
‘De cliënten zijn positief’, merkt Van Leeuwen. ‘Ze waarderen de aandacht die ze krijgen. Het mooie van onze kliniek is dat we zeer toegankelijk zijn – het was vanaf dag één druk – en dat wij als GGD nu de regie hebben over zowel de curatie als de preventie. De soa-zorg heeft meer dan vroeger een volksgezondheidskarakter. Dat maakt het mogelijk snel op de actualiteit in te springen. Als wij op het spreekuur van een prostituee horen dat in een bepaalde straat zonder condoom wordt gevreeën, dan gaat ons preventieteam daarop af.’

nieuwe financiering De overheid trekt meer geld uit voor aanvullende curatieve soa-bestrijding, maar de financiering blijft voor de centra een punt van aandacht. In de regio Brabant Zeeland ontstond een probleem omdat het subsidiebedrag voor 2007 gebaseerd werd op de cijfers uit 2005, vóór de explosieve groei van het aantal consulten. Van de Sande: ‘Gelukkig was de overheid bereid voor een keer van deze regel af te wijken.’ De regio Utrecht worstelde met de splitsing van het budget in een personeelsdeel en een laboratoriumdeel. ‘Daardoor ontstond een tekort op de personeelspost,’ aldus Langevoort, ‘ook omdat we veel mensen zien en relatief weinig soa vinden. Die splitsing is ongedaan gemaakt en het totale budget wordt sinds juli 2007 door onszelf beheerd. Of dat beter werkt, moet nog blijken.’
De soa-centra kijken alle drie reikhalzend uit naar het moment dat de zorgverzekeraar besluit het onderzoek bij de laagrisicogroepen te vergoeden. Van Leeuwen: ‘Bij telefonische aanmeldingen doen we in Den Haag een triage die uitwijst of de cliënt in een risicogroep valt. “Zekerheidzoekers” verwijzen we liever naar de huisarts. Maar bij het inloopspreekuur komen ook veel mensen die weinig risico lopen. Daar zou de zorgverzekeraar uitkomst bieden.

samenwerking Uit het bezoek aan de drie regionale soa-centra blijkt dat de nieuwe regeling stimuleert om het soa-vindpercen-tage te verhogen en dat de samenvoeging van curatie en preventie als positief wordt ervaren. De samenwerking tussen de centra in het land kan volgens Van de Sande nog uitgebouwd worden: ‘Het zou goed zijn het preventieprogramma beter af te stemmen. Vorig jaar hebben we veel aandacht besteed aan preventie bij Antillianen. Zoiets moet je eigenlijk landelijk aanpakken.’ Langevoort: ‘We komen vier keer per jaar samen in de stuurgroep, om te praten over kwaliteit, landelijke ontwikkelingen en de algemene richtlijnen. Wat betreft organisatie en leren van elkaar is er nog niet veel samenwerking. Dat komt misschien omdat we veel van elkaar verschillen.’

neveneffecten In de praktijk levert de nieuwe regeling veel op: er is een landelijk dekkend netwerk van laagdrempelige zorg gerealiseerd. De situatie in Noord-Brabant geldt voor meerdere centra; er is een toename van consulten. De activiteiten van Utrecht laten zien, dat de uitgekiende subsidieregeling inderdaad een aansporing kan zijn voor meer aandacht, actief zoeken naar risicogroepen. Het is vooralsnog onduidelijk of er meer soa worden gevonden; er worden er in ieder geval wel meer gemeld in de landelijke registratie. Er zijn nu meer mogelijkheden voor regie en er kan beter worden ingespeeld op de actualiteit en ontwikkelingen.
De nieuwe werkwijze is echter nog jong. In de toekomst moet blijken of de nieuwe manier van werken ongewenste neveneffecten heeft. Lukt het bijvoorbeeld om zonder directe samenwerking met dermatologen goede zorg te leveren, zoals dat in Den Haag gebeurt? En waar komt de toenemende stroom klanten vandaan? Is het werkelijk zo dat er meer soa worden vastgesteld, of worden ze alleen vaker gemeld omdat de mensen niet meer naar de huisarts gaan maar naar het soa-centrum? Als soa-centra door hun laagdrempeligheid klanten wegtrekken bij de huisartsen, is dat wellicht een negatieve ontwikkeling.
De regionale coördinerende GGD’en heb-ben zich tot nu toe vooral gericht op het inrichten van de nieuwe organisatiestruc-tuur. GGD Nederland wijst erop dat er in de toekomst meer aandacht zal zijn voor de landelijke afstemming en samenwerking en dat er hard gewerkt wordt aan het verbeteren van de kwaliteit en het bereiken van risico-groepen.
top
zoeken
  Zoeken
SOAIDS Magazine
Nummer 4 december 2008
Nummer 3 oktober 2008
Nummer 2 juni 2008
Nummer 1 april 2008
Nummer 4 oktober 2007
Nummer 3 augustus 2007
Nummer 2 mei 2007
Nummer 1 maart 2007
Nummer 5 december 2006
Nummer 4 november 2006
Nummer 3 september 2006
Nummer 2 juni 2006
Nummer 1 april 2006
Nummer 5 december 2005
Nummer 4 november 2005
Nummer 4 november 2005
Nummer 2 juni 2005
Nummer 1 maart 2005
Nummer 3 december 2004
inhoudsopgave
Chronische soa - Jan van Bergen
   
Seksueel overdraagbare infecties: Herpes genitalis - L. Petersen, W. van der Meijden
   
Seks onder je 25e: homo- en biseksuele jongens - Hanneke de Graaf, e.a.
   
De meerwaarde van theoretische immunologie - Matthieu klein Tank
   
Preventie en curatie in soa-centra - Maja de Ree
   
Voorlichting over veilig vrijen via apotheken - L. van den Berg, M. van Tol
   
Leven met herpes - 'Ik vind het geweldig dat ik straks veertig word' - Jolanda aan de Stegge
   
Leven met herpes: 'Mijn huisarts vond dat ik zeurde' - Jolanda aan de Stegge
   
Leven met herpes: ‘Het condoom beschermt niet zo goed tegen herpes’ - Jolanda aan de Stegge
   
‘Transdnistrië is als Noordwijk in de jaren vijftig’ - Olaf Koens